flogiston

Blog

Boomverhalen, deel 3 (Dutch)

· admin · Nature

Source: http://www.boombastik.nl

Buiten



Het was helemaal niet kwaad omdat we zolang weggebleven waren. Sterker nog ik koester de groeiende overtuiging dat het al die bomen niks kan schelen of we komen. Ze hebben wel wat anders aan hun kop. De houthakkers. De herfst die komt en daarna ook nog de winter. De stormen die zullen opsteken, om de zwakke broeders te ontwortelen. En de helse bliksem, die zo behendig stammen splijten kan. Daar staan ze op te wachten heel stil en al wat donker van kleur. En we lopen over het slingerpaadje dat ons eens door een beroepskabouter is gewezen naar de plek waar we zo graag zitten en vinden er van alles bij het oude. Want dat is het fijne van zo’n bos het wemelt van zekerheden, waaraan je gehecht raakt.

De plek is een volmaakt decor voor een scène uit Tsjechovs “kerstentuin” dat aan mijn hart gebakken meesterwerk in halftonen. De ten ondergang gedoemde familie met stijl, doch zonder het geld om die stijl te financieren zit met de stokoude knecht en de enigszins geschifte gouvernante in net zo’n bostafereel. Ergens ver klinkt het geluid van een snaar die breekt. Zegt Tsjechov. Het zou zich hier best kunnen afspelen. Dat de scène aan het eind van de vorige eeuw geschreven werd doet er niets toe.

Bossen gaan niet met hun tijd mee. Dat is ook zo aardig van ze, vind ik. Bij de omgevallen stam waarop we altijd zitten, ligt al jaren en jaren een rond stuk hout en een van ’n boom afgezaagde plak. Als we een poos niet in het bos zijn geweest, ben ik altijd nieuwsgierig naar de voorstelling die er op te zien valt. Want de seizoenen maken er hun notities op. In de zomer droogt de zon het hout uit. Dan kun je, als creatieve toeschouwer, van alles zien in de ragfijnen tekening der nerven. Nu heeft de naderende herfst die nerven grotendeels verborgen achter grillige, zwarte vlekken die voor mij duidelijk een stoet in het halfduister lopende mensen tonen. ‘Ze weten niet waar ze heen moeten, zie je wel?’ zeg ik tegen mijn vrouw ’t zijn vluchtelingen’ ‘doe me een lol en ga nu ook nog niet de voorpagina op het bos projecteren’ antwoordt ze. ‘het is gewoon een stuk hout met uitslag meer niet.’

En het begint te regenen. De bomen ruisen ervan. ’t Is een lekker gehoor. En je ruikt een kruidige lucht van aarde en van paddestoelen. In de verte klinkt niet het geluid van een snaar, die breekt, doch van een geweer, dat schiet. Iemand is, al of niet bevoegd, bezig de wildstand te corrigeren. Hij doet maar.

Niet ver van onze voeten wipt een uit smalle beurs gekleed vogeltje rond. Hij heeft een, wat de afmeting betreft, véél te ambitieuze twijg in zijn bek en racht daarmee vergeefs het zwerk te kiezen. De twijg is te zwaar. Jij komt er niet mee van de grond. ‘Neem een kleinere’, zeg ik. Maar zo’n diertje luistert niet. Goed, ik heb vroeger ook nooit geluisterd. Toch geloof ik dat het een erg dom vogeltje is, dat de klok heeft horen luiden en nu, in september, aan een nest begint. Een lachertje natuurlijk. Maar ook de schepping schmiert wel eens. Kijk maar om u heen.

‘Ik zou hier best nog jaren willen blijven zitten,’ zei ik tegen mijn vrouw. Ze antwoordt niet, want ik zeg dat telkens in de bossen. Uit het struikgewas komen twee niet weg te cijferen wilde zwijnen. Het ene blijft staan en kijkt gluiperig, maar het andere loopt doelgericht naar ons toe, ruikt aandachtig aan mijn knie en keert zich dan vol walging af. Zwijnen zijn geen beleefde beesten. ‘Kom, laten we maar een eindje doorlopen,’ zeg ik. Het regent nog steeds en het wordt al donker. Nog even en kan klimt Hans van Grietje in de boom en ziet in de verte het heilloos lichtje van de heks.



Simon Carmiggelt
(bron: onbekend)