flogiston

Blog

Boomverhalen, deel 4 (Dutch)

· admin · Nature

Source: http://www.boombastik.nl

De oude wilg



Laatst was het dan zover: kreunend gaf de oude, ruim 20 meter hoge wilg zich, na enig aandringen met een kettingzaag, over aan de zwaartekracht. De kroon, die voor een groot deel uit dode afgeschilferde takken bestond, werd met grote vakkundigheid omgetoverd tot houtsnippers. Een enkele, in de lengte gehalveerde tak kon nog op het nippertje worden gered. In de tak bevindt zich een verdroogde pop van een of ander insect.

Aan de buitenkant vormen centimeters diepe gaten het bewijs dat een specht op de hoogte was van diens verblijfplaats. De onderste drie meter van de stam mocht echter blijven staan. Dezelfde dag nog werd dit gedeelte zonder pardon uitgehold in het kader van toekomstige lesprojecten. Bij deze werkzaamheden kwamen grote brokken hout tevoorschijn met daarin de vertakte sporen van de schimmeldraden (mycelium) van de Platte tonderzwam. Op de plaats waar het mycelium door het hout "vreet" ontstaat witrot, waardoor de kronkelige sporen wit afsteken tegen het gezonde hout. Tot mijn verrassing bleek het hart van het onderste stamdeel al grotendeels weggerot te zijn. Het resultaat was een geheimzinnig gat, dat op het eerste gezicht peilloos diep leek te zijn.

Diezelfde avond liep ik langs de boom, toen ik een vreemd, steels geluid hoorde dat uit de holte leek te komen. Enigszins op mijn hoede waagde ik een blik in het duistere gat... Wie schetst mijn verbazing toen bleek dat er een zwak lichtje brandde op de toch niet zo peilloze bodem. Maar het meest verbazingwekkende was toch wel het bedroefde gezichtje dat me recht aankeek. In een flits veranderde de uitdrukking echter in woede, en na een wild bezwerend gebaar (iets met z'n middelvinger geloof ik...) in mijn richting en enkele korte, krachtig uitgesproken termen floepte het licht uit, duisternis en stilte achterlatend.

De dagen erna verliepen voor mij niet al te best. Ik moest nog vaak terugdenken aan dat gebaar. Was ik vervloekt? Het leek zo onschuldig, maar toch... Ik geloof dat ik het voorgoed verbruid heb bij ze, terwijl er mijns inziens genoeg andere bomen zijn om iedereen tevreden te stellen...toch? Het nadeel van kabouters is dat hun tenen veel te lang zijn, als je begrijpt wat ik bedoel.



André Biemans (http://www.natuureducatie.nl)
(bron: onbekend)


Mistry Nevelig



"Kareltje, noem jij de plaatsen aan de spoorlijn van Groningen naar Amsterdam eens op," zei de meester. Kareltje dacht diep na, diepe denkrimpels verschenen op zijn voorhoofd. Maar uit zijn mond rolde geen reeks plaatsnamen. Verder dan 'Groningen' kwam hij niet. "Foei," zei de meester, "da’s niet zo mooi!". Kareltje kroop in elkaar en bloosde tot in zijn nek. "Elsje, noem jij die plaatsen dan maar eens op," zei de meester in het volste vertrouwen, dat zijn eigen dochter het toch zeker wel zou weten. Maar ook Elsje wist er niet veel van, toch begon ze dapper: "Groningen, ehh.. Assen, ehh... ehh..." Maar toen stopte Elsje, want er werd op de deur geklopt.

De meester liep naar de deur, opende die en was benieuwd, wie daar zou staan. Er stond een jongen. Een vrij lange, dunne jongen met een erg vreemde huidskleur. Het was niet echt duidelijk welke kleur zijn huid had, je kon het groenig bruin noemen of bruinig groen. De meester had nog nooit zoiets gezien. En de meester had toch al heel wat gezien in zijn leven. En de jongen had groen haar...! "Dag jongen," zei de meester. "Dag meester," zei de jongen. "Wat kom je doen?". "Ik ben een nieuwe leerling meester," zei de bruingroene jongen met het groene haar. "Kom dan maar binnen jongen," zei de meester. De jongen kwam binnen en keek de klas rond met lichtelijk verbaasde blik, want hij zag allemaal kinderen met open monden. Die waren allemaal van verbazing opengevallen, want ook de kinderen hadden nog nooit zo'n vreemd kind gezien. "Heb je ook een naam jongen?" vroeg de meester. "Ja meester," zei de jongen, "ik heet Mistry Nevelig." "Nou," zei de meester, "dat is ook geen alledaagse naam". "Nee," zei de jongen, "maar ik ben ook geen alledaagse jongen, daar zult u nog wel achter komen." "Goed," zei de meester, "nou ik ben meester Van Stoffelen. Eens even kijken, waar een plaatsje voor je vrij is. Ja, ik zie het al, ga maar naast Kareltje Boekschoten zitten." "Goed meester," zei Mistry. "Vertel eens Mistry," zei de meester, "is je vader of je moeder niet meegekomen om je aan te geven als leerling?" "Nee meester," zei Mistry, "mijn ouders staan in het woud en kunnen daar niet weg. Mijn vader is Eik Nevelig en mijn moeder heet Nootje Beuk."

Het was wel een komisch gezicht om Kareltje met zijn bolle toet vol sproeten en Mistry met zijn bruingroene gezicht en groene haardos zo naast elkaar te zien zitten. Meester Van Stoffelen kwam er al gauw achter, dat Kareltje en Mistry in elk geval één ding gemeen hadden, want Mistry wist haast nog minder van aardrijkskunde dan Kareltje. Maar later bleek, dat hij wel veel van natuurkunde wist. Hij wist de namen van alle bomen in het bos en ook wist hij heel veel bijzonderheden van al die bomen te vertellen. Daar kon zelfs meester Van Stoffelen nog wat van leren.

Thea Snuitman kwam opgewonden thuis na schooltijd! "Mama, moet je horen," riep ze al bij de voordeur. "We hebben nou toch een vreemde snuiter op school gekregen, hij is bruin, maar ook groen. Er net een beetje tussenin. En hij heeft groen haar". "Thea, Thea," zuchtte moeder Snuitman, "wat heb je toch een rijke fantasie." "Nee mam, het is echt waar," riep Thea. "En hij is heel erg mager, net een bonenstaak. Of nee, eigenlijk net een boomstammetje. "Hi, hi, hi." Ze moest zelf giechelen om haar vondst. "Trek nu eerst maar eens je jas uit en ga je handen wassen," zei moeder Snuitman, "dan zet ik intussen een lekker kopje thee voor ons tweetjes." Voor ons tweetjes?" vroeg Thea, "is Joke er dan niet?" "Nee suffie, het is toch donderdag, dan heeft Joke toch haar vrije dag" "O ja, daar had ik even niet aan gedacht," zei Thea. Even later zat Thea gezellig met haar moeder aan de keukentafel te genieten van een lekker kopje thee met een koekje, een Scholiertje, waar ze zo dol op is.

"En vertel me nu maar eens rustig over die nieuwe jongen op school," zei moeder Snuitman. "Nou," zei Thea, "de school was vanmiddag nog maar net begonnen. Wij hadden aardrijkskunde van meester Van Stoffelen. Kareltje Boekschoten moest de plaatsen langs de spoorlijn van Groningen naar Amsterdam opnoemen, maar die sufferd wist er weer niets van. Hoe die ooit over moet gaan... En toen moest Elsje van Stoffelen die plaatsen opnoemen." "Is dat niet de dochter van de meester?" vroeg moeder Snuitman. "Ja, Elsje is de middelste dochter van de meester," antwoordde Thea. "Maar net toen Elsje was begonnen, werd er op de deur geklopt. Dat klonk heel raar eigenlijk, net of er met een stuk hout op de deur werd geklopt. De meester deed de deur open en toen stond die vreemde jongen daar. Echt mam, het was een heel rare jongen. De meester stond trouwens ook raar te kijken." "Hoe zag hij er dan precies uit," vroeg moeder Snuitman. "Nou," zei Thea, "het was een vrij lange, dunne jongen met een erg vreemde huidskleur. Het was niet echt duidelijk welke kleur zijn huid had, je kon het groenig bruin noemen of bruinig groen. En de jongen had groen haar...! O ja, en toen de meester hem vroeg, waarom zijn vader of moeder niet mee was gekomen om hem als nieuwe leerling aan te melden, zei hij, dat zijn ouders in het bos stonden en daar niet weg konden. Vind je dat nou geen vreemd smoesje?" Haar moeder vond het inderdaad vreemd. Ze wist eigenlijk niet goed wat ze ervan moest denken. Zou haar dochter haar toch niet wat op de mouw spelden? Ze liet het verder rusten, maar was vast van plan het eens met Thea's vader te bespreken.

"Ha ha ha!!! Haaaa ha ha ha ha!!!" Slager Boekschoten lachte zich een bult, toen zijn zoon Kareltje met zijn verhaal over de nieuwe jongen thuis kwam. "Hooo ho ho, hiii hi hi, en hij heeft groen haar? Haaaa ha ha ha ha! En zijn huid is iets tussen groen en bruin? Kareltje, Kareltje, hoe verzin je het!" "Maar ik verzin het helemaal niet," riep Kareltje, vertwijfeld over zoveel ongeloof. "Het is echt waar! En die jongen zit nu naast mij in de bank. En hij heet Mistry Nevelig. Zijn vader heet Eik Nevelig en zijn moeder heet Nootje Beuk. O ja, en zijn vader en moeder staan in het bos en kunnen daar niet weg, zei hij." "Hou op jongen," zei slager Boekschoten, "doe nou maar weer gewoon, vertel maar eens hoe het was op school, heb je goed je best gedaan?" "Ja hoor," zei Kareltje, "ik kreeg bij aardrijkskunde een beurt en ik wist alles heel goed." "Mooi zo," zei vader Boekschoten, "ga zo door." En nog nagrinnikend over de onzin, die zijn zoon had uitgekraamd pakte hij een half varken uit de koelcel. "O ja," riep hij naar zijn zoon, "je moeder vroeg of ik tegen je wou zeggen, dat je even naar bakker Koekepeer moest gaan om anderhalf grof volkoren en een half boerenwit te halen. Laat ze het maar even opschrijven, dan rekent moeder het zaterdag wel af. Door dat gekke verhaal van jou, zou ik het bijna hebben vergeten.

De volgende morgen ging Kareltje wat vroeger van huis dan anders. Hij wilde wat eerder bij school zijn, maar dat viel tegen, want het waaide erg hard, zodat hij de grootste moeite had om tegen de wind in te fietsen. Hij moest zelfs nog twee keer afstappen. Toen hij bij de school aankwam, zag hij al heel wat kinderen op het schoolplein bijeen staan. Ze verdrongen zich om Mistry. "Mistry, heb je je haren zo geverfd?" "Nee hoor, mijn haar is echt groen." "En hoe kom je aan die vreemde huidskleur?" "Daar ben ik mee ontsproten." De kinderen proestten het uit van het lachen. "Wat zeg je dat plechtig Mistry, ontsproten." "Hoe moet ik het anders zeggen," vroeg Mistry verbaasd. "Nou gewoon, zo ben ik geboren." "Geboren? Noemen jullie dat geboren?" "Ja natuurlijk, Mistry, wie zegt nou, dat hij is ontsproten. Dat zeg je van planten en struikjes en bomen." "Juist ja," zei Mistry met een raadselachtige glimlach om zijn mond. De schoolbel ging en de kinderen gingen naar binnen. Toen Mistry naast Kareltje in de bank schoof vroeg hij: "Zeg Kareltje hoeveel ringen heb jij?" "Ringen? Ik heb helemaal geen ringen," zei Kareltje, "wat bedoel je daarmee?" "Nou, gewoon," zei Mistry, "hoe oud je bent." "O bedoel je dat," zei Kareltje, "zeg dat dan. Ik ben elf jaar, en jij?" "Ik heb dr... ehh... ik ben drie jaar," antwoordde Mistry. "Maak dat de kat wijs," zei Kareltje. "Welke kat," vroeg Mistry verschrikt, "er is hier toch zeker geen kat?" "Nee natuurlijk niet," zei Kareltje, "ben je soms bang voor katten?" "Ik moet niets van katten hebben," antwoordde Mistry, "die gebruiken mij altijd als krabpaal." Kareltje ging Mistry steeds vreemder vinden... ...

Het eerste lesuur was een heel bijzonder lesuur. Er kwam iemand van de vogelbescherming om de kinderen iets bij te brengen over de vogels, die er in hun omgeving en dan vooral in het nabij gelegen bos voorkwamen. Hij had ook twee opgezette vogels bij zich, een bosuil en een specht. Met die vogels, die op een plankje waren vastgezet liep hij de klas door, zodat de kinderen ze eens goed konden bekijken. Dat was natuurlijk leuk, want in het echt zag je ze niet van zo dichtbij. Een uil kreeg je trouwens sowieso al haast nooit te zien, want de uil is een nachtdier. Sommige kinderen mochten de vogels ook even zachtjes over de rug aaien, wat een enkeling wel wat eng vond. Thea Snuitman niet, die was nergens bang voor. Ze gaf de uil zelfs een kusje op zijn snavel. Maar Elsje van Stoffelen vond het doodeng. "Wat nou Elsje, ben je bang voor een opgezette vogel?" vroeg meester Van Stoffelen. Toen kwam de man met de vogels bij de bank van Kareltje en Mistry. "Weg met die beesten," riep Mistry. "Weg! Weg ermee!" "Waarom heb je zo'n hekel aan die vogels?" vroeg de 'vogelman' verbaasd. "Da's nogal wiedes," zei Mistry, "die rot-uilen houden je uit de slaap en spechten zijn nog erger, die pikken gaten in je bast." Verbazing alom... "Het lijkt wel of je een boom bent," lachte meester Van Stoffelen. Mistry zei niets meer, maar om zijn mond speelde weer dat raadselachtige glimlachje. "Trouwens," ging meester Van Stoffelen verder, "bomen hebben geen gevoel, ze zullen dus ook geen last hebben van zo'n specht." "Hoe weet u nou of een boom gevoel heeft of niet," zei Mistry, "is er ooit een boom geweest, die u dat verteld heeft?" "Nee, natuurlijk niet," antwoordde de meester, "bomen kunnen nu eenmaal niet praten." Weer glimlachte Mistry en hij deed er het zwijgen toe.

"Mama, mama, moet je horen," riep Thea Snuitman toen ze de deur open deed. Vlug liep ze door naar de kamer, maar daar was haar moeder niet. Dat was vreemd, want daar was haar moeder anders altijd als ze thuis kwam uit school. Snel liep ze naar de keuken. Moeder was vast al bezig thee te zetten. Maar ook in de keuken was niemand. "MAMA... MAMA...!" riep Thea weer. Maar er kwam geen antwoord. Thea snapte er niets van. Zou ze boven zijn? Ze liep naar de trap en halverwege de trap hoorde ze boven gedempte stemmen. Thea werd nu toch wel erg nieuwsgierig en met twee treden tegelijk snelde ze naar boven. De stemmen kwamen uit de slaapkamer van haar ouders. Wat werd daar zachtjes gepraat, het klonk bijna plechtig. Voorzichtig opende ze de deur van de slaapkamer en stak haar hoofd naar binnen. Tot haar verbazing zag ze daar haar moeder staan, die in gesprek was met de dokter. Thea keek naar het bed en ze schrok zich een hoedje! Op het bed lag haar vader met om zijn hoofd een heleboel wit verband. En op het achterhoofd van papa was het verband helemaal rood gekleurd. Mama Snuitman zag haar dochter staan en liep vlug naar haar toe. "Papa heeft een ongeluk gehad," zei ze. "Hij was in het bos aan het werk en door die harde wind waaide er een grote tak van een beukenboom. Die tak kreeg papa op zijn hoofd. Hij heeft nu een zware hersenschudding." "Maar papa draagt in het bos toch meestal een helm," zei Thea. "Ja, die droeg hij nu ook. Hoe het precies gegaan is weet ik niet," zei haar moeder, "maar een zijtak van die grote tak moet op de een of andere manier de helm van papa's hoofd hebben gerukt, waarna die dikke tak papa heeft geraakt." "Arme papa, "zei Thea, "wat zal hij een pijn hebben." "Op het ogenblik niet," zei moesje. "De dokter heeft hem een pijnstillende injectie gegeven." "Waarom zijn de gordijnen zo potdicht?" vroeg Thea. "Dat moet Thea," zei de dokter. "Mensen met een zware hersenschudding kunnen geen licht verdragen." "Arme, arme papsie," zei Thea weer en zachtjes huilend verliet ze de slaapkamer en ging naar beneden. Even later kwamen haar moeder en de dokter ook naar beneden. "Je mag vanmiddag wel thuis blijven van school Thea," zei haar moeder, "je kunt nu toch je aandacht niet bij de les hebben. Ik zal meteen meester Van Stoffelen even bellen."

Die middag ontbrak ook Mistry in de klas. Niemand wist, waarom hij er niet was. Er was ook niemand, die wist waar hij woonde. De volgende morgen vroeg meester Van Stoffelen aan Mistry, waarom hij die middag niet was komen opdagen. "Ik kon niet weg meester," zei Mistry, "want mijn moeder heeft een ongeluk gehad. Die harde wind van gisteren heeft een van haar ta... van haar armen afgerukt." "Nee toch!" riep de meester verschrikt. "Wat erg! Wat zal ze een pijn hebben. Ligt ze in het ziekenhuis? Waar is het gebeurd?" "Nee, ze ligt niet in het ziekenhuis," antwoordde Mistry. "Het gebeurde in het bos." "Wat vind ik dat vreselijk voor je," zei Kareltje. "Nu heeft je moeder maar één arm meer." Mistry antwoordde niet. Maar weer verscheen dat raadselachtige glimlachje om zijn mond. Het werd vrijdag en toen de school 's middags uit ging, vroeg Kareltje aan Mistry: "Kom je morgenmiddag bij mij spelen?" "Dat is goed," zei Mistry, "als ik mag van mijn ouders dan ben ik om twee uur bij je." "Afgesproken!" zei Kareltje.

Thuis aangekomen, kon Kareltje direct aan de slag, hij moest zijn vader helpen. Vrijdags was het altijd druk in de winkel. Haast nog drukker dan op zaterdag, want het was zomer en veel mensen gingen tijdens het weekend naar de camping. En dus moesten ze hun boodschappen al op vrijdag halen. De moeder van Kareltje was ook druk bezig in de winkel, maar ze zag toch nog kans vlug een kopje thee met een koekje voor Kareltje te halen. "Hoe is het met die nieuwe, met dat groene haar?" vroeg ze aan Kareltje. "Met Mistry is het wel goed," zei Kareltje, "maar met zijn moeder niet, ze heeft een ongeluk gehad in die storm van gisteren. Een van haar armen is van haar lichaam gerukt." "Nee toch!?" schrok moeder Boekschoten, "wat erg, ze ligt zeker in het ziekenhuis?" "Nee," antwoordde Kareltje, "dat vonden we allemaal erg vreemd, maar ze is niet in het ziekenhuis. Trouwens, ik heb met Mistry afgesproken, dat hij morgen bij mij komt spelen. Als hij toestemming van zijn ouders krijgt, dan komt hij." "Dat is heel mooi," zei zijn moeder, "want ik ben toch wel erg benieuwd geworden naar die jongen."

De volgende middag om tien over twee kwam Mistry bij Kareltje. "Dag Kareltje, daar ben ik dan," zei Mistry. "Dag Mistry," zei Kareltje, "kom binnen en doe alsof je thuis bent!" "Dat zal moeilijk gaan," mompelde Mistry en weer verscheen dat raadselachtige glimlachje om zijn mond. De jongens gingen eerst naar de huiskamer, waar Kareltje Mistry aan zijn moeder voorstelde. "Dag mevrouw," zei Mistry, "ik ben Mistry Nevelig." "Dag Mistry," zei de moeder van Kareltje, "ik ben de moeder van Kareltje, fijn dat je bij Kareltje komt spelen." De jongens gingen naar buiten, waar Kareltje zijn lievelingen liet zien, twee lievelingskonijntjes. Maar het was al gauw duidelijk, dat Mistry's belangstelling voor dieren uiterst minimaal was. "Zullen we een potje gaan knikkeren?" vroeg Kareltje. "Knikkeren? Wat is dat?" "Jeetje, kun jij niet eens knikkeren?" Kareltje snapte er niets van. Welke jongen kon nou niet knikkeren... "Kom," zei Kareltje, "ik leer het je wel even." En het duurde niet lang of Mistry was het knikkerspel machtig. Maar toen riep moeder Boekschoten de jongens binnen, want ze had thee voor hen. dat lieten ze zich goed smaken. Ze kregen er een lekkere plak koek bij, maar daarvoor bedankte Mistry beleefd. "Wat nou jongen, lust jij geen koek?" vroeg de slagersvrouw. "Nee mevrouw, het spijt me," zei Mistry.

Na de thee gingen de jongens het bos in, waar Kareltje zich verwonderde over de grote kennis, die Mistry betreffende de bomen in het bos had. Van alle bomen wist hij de naam. Ze kwamen langs een machtige eik, die naast een sierlijke beuk stond, waarvan jammer genoeg een tak was afgebroken, Die lag nog onder de boom op de grond. Maar Kareltje vond het wel wat raar, dat Mistry zijn hand even tegen die eik en die beuk legde en zachtjes "hallo" zei. En zag Kareltje dat goed? Dat kon toch niet waar zijn... Neeee... hij had het vast niet goed gezien... Maar toch... het leek warempel wel of die eik even met een tak naar hen wuifde... Ach nee... het was natuurlijk door de wind geweest. En om de lippen van Mistry speelde weer dat raadselachtige glimlachje...

Nog één week moesten ze, na die zaterdag, naar school, dan kregen ze vakantie. "Vakantie?" vroeg Mistry, "wat is dat?" Stomverbaasd keek Kareltje hem aan. "Doe niet zo belachelijk, wie weet nou niet wat vakantie is!" "Nee," zei Mistry, "dat weet ik echt niet." "Hadden jullie op je vorige school dan nooit vakantie?" "Ik ben nooit eerder naar school geweest," antwoordde Mistry. "Alles wat ik weet hebben mijn ouders mij geleerd." Kareltje ging steeds minder van Mistry begrijpen. Maar aan de andere kant vond hij het ook wel spannend. "Vakantie," zei Kareltje, "is het mooiste van de school, want dan ben je een aantal weken vrij en hoef je dus niet naar school." "Wat raar," zei Mistry, "dan leer je toch ook niets?" "Dat hoeft ook niet," zei Kareltje, "want het hele lesschema is daarop ingesteld." "Dat kan wel zijn," zei Mistry, "maar toch vind ik het stom. Wat moet je dan al die weken doen?" "Nou, wij gaan drie weken naar Ameland," zei Kareltje, "tenminste mijn moeder en ik, want mijn vader kan maar twee weken op Ameland zijn, langer is de slagerij niet gesloten." "Dus als je vader bij jullie op Ameland is, kunnen de mensen twee weken geen vlees eten?" vroeg Mistry. "Natuurlijk wel gekkie," zei Kareltje, "er is toch ook nog slagerij Oosterhof in de Westerstraat en dan heb je nog een slager aan de Ossenlaan. Dat zijn dus drie slagers in totaal en die hebben om de beurt vakantie." "O" zei Mistry en dacht er het zijne van. "Zeg Mistry," zei Kareltje, "die derde week op Ameland, als mijn vader weer naar huis is, kun jij misschien wel bij ons komen. Zal ik dat eens aan mijn moeder vragen?" "Dat kan niet." zei Mistry, "ik kan geen week zonder eten." "Wat denk je nou suffie, dat wij je een week lang op een houtje zouden laten bijten? Je eet natuurlijk gewoon met ons mee." "Dat kan ik niet, ik moet perse thuis eten," zei Mistry. "Waarom dat dan in vredesnaam!?" vroeg Kareltje. "Dat leg ik je later misschien nog wel eens uit", zei Mistry met weer om zijn mond dat raadselachtige glimlachje. "Ik snap er niks van," zei Kareltje. "Laatst bij ons thuis wilde je ook al geen koek bij de thee. En ik zie je ook nooit snoepen." "Dat klopt, ik kan nu eenmaal geen vast voedsel tot mij nemen. Alleen water of thee of een andere drank kan ik wel tot mij nemen, maar geen vast voedsel." "Maar waarom dan niet," vroeg Kareltje, "kun je mij dan niet vertellen, waarom dat zo is? Ik vind alles zo raar. En we zijn nu toch vriendjes, dan kun je me dat toch wel vertellen?" Mistry dacht een poosje diep na, maar na een poosje schudde hij zijn hoofd. "Ik kan je nu nog niets vertellen," zei hij, "dat kan ik niet zonder toestemming van mijn ouders doen. Ik zal hen straks vragen of ik je iets mag vertellen, dat hoor je vanmiddag dan wel."

"Jongens en meisjes!" riep meester Van Stoffelen, "allemaal even goed luisteren. Aanstaande vrijdag is de laatste schooldag voor de vakantie. En van die vrijdagmiddag maken we een heel bijzondere middag. Er is dan geen gewone les, maar we maken er een verhalenmiddag van. Ieder van jullie, die een mooi verhaal weet, mag dat vertellen of voorlezen. Als er niet genoeg verhalen van jullie komen om de middag te vullen, dan heb ik nog wel een paar spannende verhalen, maar ik zou het mooier vinden, als alle verhalen van jullie kwamen. Zoek thuis maar eens goed, of vraag je ouders of ze een mooi verhaal voor je hebben. Het is nu twaalf uur, dus ga maar gauw naar huis om te eten." De kinderen renden naar buiten en gingen naar huis. "Niet vergeten aan je ouders te vragen hoor!" riep Kareltje tegen Mistry. "Wat moet hij vragen?" vroeg Elsje van Stoffelen. "Dat gaat je niets aan," zei Kareltje. "Flauwerik," riep Elsje en stak haar tong tegen hem uit.

Toen Kareltje na de middag bij school aankwam, zag hij Mistry ook net aan komen lopen. Vlug liep hij naar hem toe en vol spanning vroeg hij: "En... wat zeiden je ouders?" "Ik mag alle geheimen onthullen en alle vragen beantwoorden," zei Mistry. "Maar dat doe ik nu nog niet." "Doe niet zo flauw," zei Kareltje, "vertel op!" "Nee Kareltje, nu nog niet," zei Mistry, "je moet nog even geduld hebben tot vrijdag. Meester Van Stoffelen vroeg toch om spannende verhalen om op vrijdagmiddag te vertellen. Nou, dit lijkt mij wel geschikt daarvoor. Je zult dus nog even tot vrijdag geduld moeten hebben." Kareltje zuchtte diep en zei: "Nou vooruit, dat moet dan maar. Maar je maakt me wel erg nieuwsgierig."

Die week kon Kareltje niet vlug genoeg voorbij gaan, maar eindelijk werd het dan vrijdagmiddag. De kinderen waren allemaal in een uitgelaten stemming, want ze kregen vakantie en eerst nog een mooie middag. Ze hoopten op mooie en vooral spannende verhalen. Kees-van-de-molenaar mocht beginnen. Hij had een leuk verhaal over hun molen, die van nieuwe wieken was voorzien. Uitvoerig vertelde hij hoe dat in zijn werk ging. Hij had er ook foto's van bij zich, want geen van de kinderen had dat spektakel gezien. Ze mochten toen niet in de buurt komen. Maar door die foto's konden ze zich er een beeld van vormen. Na Kees was Elsje van Stoffelen aan de beurt. Zij las een verhaaltje voor uit een boekje, maar het kon de andere kinderen niet zo erg interesseren. Thea Snuitman was vorig jaar naar haar oudere broer in Nieuw-Zeeland geweest en daar had ze een soort opstel over gemaakt en dat vonden ze allemaal erg boeiend. Veel kinderen waren ook wel een beetje jaloers op Thea, die zover weg was geweest. Natuurlijk had meester Van Stoffelen ook een mooi verhaal te vertellen. Het ging over een eenzame kluizenaar, die in een soort onderaardse hut woonde, waar hij alleen gezelschap had van een oude hond en een paar zwerfkatten. Hij was door zijn familie verstoten. Hij moest zich helemaal alleen zien te redden, vooral 's winters in vaak hele slechte omstandigheden. Het was een beetje een ontroerend verhaal. De meester kon erg mooi vertellen, hij wist de kinderen heel goed te boeien. Als laatste die middag kwam Mistry aan de beurt. Kareltje veerde op en ging er eens goed voor zitten. En Mistry vertelde...:

"Lang, heel lang geleden heeft mijn vader de woede opgewekt van een tovenaar. Er waren in hun dorp twee tovenaars. De één was een en al goedheid, maar de ander was een vreselijke slechterik. Niemand kon goed doen in zijn ogen. Maar gelukkig had de goede tovenaar meer macht, dan de slechte, zodat hij veel onheil dat de slechte tovenaar aanrichtte kon herstellen. Waarom die boze tovenaar opeens zo kwaad werd op mijn vader, is mij niet helemaal duidelijk. Feit is, dat de tovenaar in grote woede ontstak en mijn vader in een eikenboom en mijn moeder in een beukenboom veranderde. Nu zou de goede tovenaar dat weer ongedaan kunnen maken, maar dat moest dan wel voor zonsondergang gebeuren. En het toeval wilde, dat de goede tovenaar juist die dag naar een dorp verderop was geroepen om een boze geest te verdrijven. De broer van mijn vader, mijn oom dus, is meteen naar dat dorp gegaan om de goede tovenaar te halen, maar het was al laat in de middag en ze kwamen niet voor donker in ons dorp aan, zodat de goede tovenaar niets meer kon uitrichten. Dit alles gebeurde meer dan driehonderd jaar geleden. De vloek van de tovenaar gold alleen voor mijn ouders. Toen ik drie jaar geleden ontsproot groeide ik voorspoedig op tot een jong boompje. Ik sta dan ook nog steeds als een jonge boom in het bos, dichtbij mijn ouders. Ongeveer een half jaar geleden ontdekte ik bij toeval, dat ik in staat was uit mijn boomgestalte te treden en in menselijke gedaante weg te lopen. Het vreemde is, dat ik als boom wel met mijn ouders kan praten, maar als jongen niet. Ik versta hen wel, maar zij verstaan mij niet. Met uitzondering dan van de paar woorden, die ik ze heb geleerd, zoals 'tot ziens', 'hallo' en 'welterusten'. Nu begrijpt u ook meester Van Stoffelen, waarom mijn ouders niet naar school konden komen om mij aan te melden als leerling." "Ja, dat is me nu wel duidelijk," zei meester Van Stoffelen. "Maar vertel eens Mistry, wie heeft jou dan leren praten?" "Dat kon ik vanzelf," antwoordde Mistry. "Maar ik sprak, zoals men ruim driehonderd jaar geleden sprak. Ik heb me toen dadelijk onder de mensen begeven. Ik zocht steeds plaatsen, waar veel mensen samenkomen en ik luisterde scherp naar hun gesprekken. Ik leer vlot en dus duurde het niet lang of ik sprak zoals ik nu doe."

"Nu is me ook duidelijk, waarom je niets van aardrijkskunde afwist," zei meester van Stoffelen. "En je kennis omtrent de bomen in het bos spreekt nu eigenlijk ook wel vanzelf. Van wie kwam eigenlijk het idee om naar school te gaan? Want ik neem toch aan, dat scholen voor jou niet bekend waren." "Nee," zei Mistry, "ik had natuurlijk nog nooit van scholen gehoord, maar mijn ouders wel en mijn vader raadde mij aan om naar school te gaan. Maar de scholen zijn nu wel heel anders dan driehonderd jaar geleden. Dat zei mijn vader, want hij vroeg me natuurlijk honderd uit over de school. Mijn vader was vroeger in hun dorp trouwens een van de weinigen, die op school had gezeten en kon lezen en schrijven." Opeens sprong Kareltje op van zijn stoel en riep opgewonden: "Héee, wacht eens even! Mistry! Nu snap ik het! Dan is het dus toch waar! Het is dus toch geen verbeelding van me geweest!!!" "Rustig, rustig Kareltje," maande meester Van Stoffelen, "vertel nu eens kalm wat je bedoelt." "Nou meester, laatst was Mistry op een zaterdagmiddag bij mij te spelen en toen gingen we ook in het bos wandelen. Mistry verbaasde mij toen ook weer met zijn grote kennis wat bomen betreft. We kwamen toen langs een eik en een beuk en wat ik toen erg vreemd vond, was dat Mistry even zijn hand tegen de stam van die twee bomen legde en zachtjes 'hallo' zei. En ik meende toen te zien, dat die eik even met een tak als het ware naar ons wuifde. Maar ik schudde die gedachte ook meteen weer van mij af, want hoe kon een boom nu naar mensen wuiven? Ik dacht dat het van de wind zou zijn. Maar nu begrijp ik, dat het de vader van Mistry geweest moet zijn en dat hij inderdaad naar ons wuifde. Zo is het toch Mistry?" Mistry knikte bevestigend. "Oooh en nu begrijp ik ook dat raadselachtige glimlachje, dat om de haverklap om je mond speelde," zei Kareltje.

"Maar Mistry," riep opeens Thea Snuitman, "hoe komt het dat je zo'n vreemde huidskleur hebt? En groen haar?" "Nou," zei Mistry, "dat is een klein mankementje, kun je wel zeggen. Ik verander in een mens als ik uittreedt, maar mijn huid houdt min of meer de kleur van mijn bast als boompje en mijn haar heeft de kleur van de bladeren, die ik als boompje heb. Jullie zullen trouwens nog wel eens vreemd opkijken, want straks in de herfst wordt mijn haar geelbruin en in de winter loop ik met een kaal hoofd. Maar wees gerust, volgend voorjaar verschijnt er weer een frisse groene haardos." "Nou, ik vind het maar raar hoor," zei Elsje van Stoffelen. "Ik vind je eigenlijk een beetje een griezel." "Foei Elsje," zei meester Van Stoffelen, "dat mag je niet zeggen. Mistry is helemaal geen griezel, hij is gewoon een beetje anders dan jullie, maar dat maakt hem niet griezelig." Thea, die naast Elsje zat, beet haar zachtjes toe: "Jij bent zelf een veel grotere griezel met je rare puntige wipneus." Het is maar goed, dat blikken niet kunnen doden, want anders zou Thea nu niet meer leven.



onbekend
(bron: onbekend)


De historische achtergrond van de Lindeboom van Tilburg



Dit is geen sprookje of verhaaltje, maar het trieste, waargebeurde verhaal van een oude Linde in Tilburg.

De 350 tot 400 jaar oude Linde op de Heuvel, naast de kruikezeiker was toch wel hét symbool van Tilburg. Deze boom werd kunstmatig in leven gehouden. Bij droog weer kreeg de oude en verminkte reus via een slang vol gaatjes per uur en per meter slang 2 liter water automatisch toegevoegd. Het leven werd hem op dit drukke plein, door onder andere het voortrazend verkeer, zowat onmogelijk gemaakt. In het herinrichtingsplan van de Heuvel was geen plaats meer voor de Linde. Nu hij echt weg is, is een terugblik op een lang en indrukwekkend leven wel op zijn plaats...:

De Tilburgse Linde was een Hollandse Linde (Tilia x vulgaris); in vaktermen een voormalige etagelinde en in feite een Winterlinde. In het wild komt de Linde al zo'n 2500 jaar niet meer voor in Nederland. De boom was 18 meter hoog en zijn stamomtrek was 540 cm. De Linde is eeuwenlang gezichtsbepalend geweest voor de Heuvel en hij sprak zeer tot de verbeelding van toevallige passanten. Zo bracht de wereldreiziger graaf De Monconys in 1662 een bezoek aan Tilburg. Hij logeerde in "De Gekroonde Zwaan" op de Heuvel. In het boek "Voyages de Monsieur de Monconys dans la Hollande" (Parijs, 1667) staat dat de graaf vol bewondering de Linde aanschouwde, de kruin wel een omtrek had van 62 passen en dat de boom door 28 pilaren ondersteund werd. De boom moet toen al van een behoorlijke leeftijd zijn geweest. Hij verhaalt ook over de merkwaardigheid, in zijn ogen althans, dat de dienstmeid van de herberg haar tijd doorbrengt met het maken van figuren van fijn zand op de plavuizen van het etablissement.

Als Elise van Calcar in 1850 een bezoek aan Tilburg brengt, geeft zij later in haar boek Tilburgsche Mijmeringen ('s-Hertogenbosch, 1851) een uitvoerige, en voor die tijd typerende, beschrijving van de Linde: "Het is een Lindenboom van wonderbaar fatsoen. Niet alleen is zijn ontzettend zware stam van zoo zonderlinge gedaante, dat hij aan een zaamgewassen groep van verscheidene stammen doet denken, maar niet minder vreemd is ook het uitschieten zijner reuzenarmen, die rondom gesteund door paal en latwerk zich verbazend wijd uitstrekken. Slechts één enkele tak mogt zijne natuurlijke rigting, zijn aandrift naar boven volgen en zich fier van de aarde verheffen." De boom was volgens Elise zodanig gesnoeid en geleid dat deze meer op een "ontzaggelijk groote chineesche parasol" leek.

Mr. J.I.D. Nepveu schrijft in 1852 in zijn verhalenbundel Studie en uitspanning: "...Wie ooit Tilburg bezocht, zal dáár zonder twijfel, vooral als hij in "De Zwaan" zijn intrek had genomen, ook wel eenige uren onder den grooten Linde hebben uitgerust, waarmede het marktplein, de Heuvel genaamd, sedert onheugelijke jaren reeds prijkt. Want zeggen de inwoners - van het eigenlijke Tilburg namelijk - zoo gij onze stad verlaat en onze paraplui (gelijk zij die klassieke kruin naar haar vorm heeten) niet gezien hebt, dan waart gij als in Rome, zonder den Paus aanschouwd te hebben."

Er zijn in de literatuur nog talloze beschrijvingen over de Tilburgse Linde te vinden, zoals bijvoorbeeld in het boek "Jaren en jeugd in Brabant", (Amsterdam, 1944; herdukt in Antoon Coolen Land en volk van Brabant, Amsterdam, 1950) van Uri Nooteboom: "Als ge een ouden Tilburger vraagt naar het meest merkwaardige in zijn geboortestad, tien tegen een, dat hij den Linde zal noemen. Hij zal het niet hebben over de fabrieken, hij zal niet vertellen, dat Tilburg de laatste jaren zoo hard is gegroeid, neen, hij zal den Linde op den Heuvel noemen. [...] Zijn dikke stam is met stevig hekwerk omgeven; de zware takken, waarvan de onderste horizontaal staan, zijn met ijzeren paalwerk, waarop balken zijn gelegd, onderstut. [...] Kinderen speelden onder de groene ijzeren palen boompje-verwisselen, jongens met kleine fietsen reden kunstig met bochten en bogen tussen de paaltjes door. Als er uit het hart der stad een fietstocht of uittocht plaats had, was de Linde het verzamelpunt. Vandaar uit wandelden we in den nacht van den eersten Zondag in Mei naar Den Bosch, vandaar uit ging de fietstocht naar Onze Lieve Vrouw van den Heiligen Eik te Oirschot. En de Tilburger vraagt zich af, wat van zijn stad zou moeten worden, als de Linde op den Heuvel het wegens ouderdom of door een of andere oorzaak begeven zou. Zouden dan de fabrieken nog werken? Zou dan Tilburg nog Tilburg zijn? Indien de Linde werd geveld, zou dat een grote, gapende wonde zijn in het hart van deze stad en geen dode zou ooit méér zijn betreurd [...]."

Van oudsher werd er onder de Linde rechtgesproken, in de nabijheid daarvan vonnissen voltrokken, en er werden vanaf 1575 al jaarlijks drie jaarmarkten en (zeker vanaf 1570) tot het eind van de vorige eeuw de jaarlijkse kermis gehouden. De belangrijkste handelswaar op de jaarmarkten waren voedingswaren, paarden en ander vee en wollen en linnen lakens. In het trouwboek van 1669 staat de aantekening, dat een huwelijksafkondiging "onder de Linde" heeft plaatsgevonden.

Op de oudste kaart van Tilburg, uit 1760, is vlak bij de boom een galg getekend. De Linde is vaak de stille getuige geweest van openbare executies en andere "volksvermaken". Daar zijn sappige verhalen over bekend, zoals dat over een bende struikrovers, die onder de naam "Muscoviters" in het begin van de achttiende eeuw Tilburg en omgeving onveilig maakte. Op 24 augustus 1708 werd Jan Peeters, bijgenaamd Jan Schrok, die verschillende "schelmstukken, roverijen, onveiligmaken van publieke wegen, knevelarijen en andere grove feiten" op zijn geweten had, als voorbeeld voor de anderen, door de scherprechter levend geradbraakt. Onder overweldigende belangstelling werd hij op de Heuvel bij de Linde op een liggend wagenwiel gebonden, rondgedraaid en zijn ledematen met een zware balk verbrijzeld. Daarna is zijn hoofd afgehouwen en enige uren op een pin tentoongesteld. Zo ging dat in die dagen met struikrovers!

Er is zelfs een legende verbonden aan de eeuwenoude Linde. Lambert G. de Wijs schreef voor de Nieuwe Tilburgsche Courant in 1925 het verhaal "Een Maria-legende van den Tilburgschen Linde", waarvan een overdruk verscheen. Deze legende speelt in het midden van de zestiende eeuw, toen de beruchte legeraanvoerder Maarten van Rossum zijn strooptochten door Brabant ondernam. Op de Heuvel in Tilburg woonde een zekere Antoni, die zich bij zijn plunderende troepen aansloot. Hij zou vermoedelijk gesneuveld zijn. De moeder van Antoni bleef echter in zijn behouden terugkomst geloven, en zij plaatste een Mariabeeldje tegen de stam van de Linde. Na jaren was het beeldje door de tand des tijds aangetast en tenslotte verwijderd. De weduwe en haar andere zoon Herman leden inmiddels aan verstandsverbijstering. Op een heldere juninacht werden beiden wakker en verlieten zij om onduidelijke reden het huis om onder de Linde te gaan bidden. Op dat moment verscheen tussen de knoestige takken Maria met het Kindje Jezus: " 't beeld scheen te lachen en vreugde omstraalde 't kind op haar arm." Plotseling zagen zij ook een geknielde man zitten: de verloren gewaande maar berouwvolle zoon Antoni. Met een beetje fantasie was in de jaren dertig van deze eeuw de beeltenis van Maria nog duidelijk te zien.

Een ander opmerkelijk feit vinden we in het boekje "Volksfeest gevierd te Tilburg" ('s-Hertogenbosch, 1798). Hierin staat vermeld dat de Linde een grote rol speelde in het volksfeest dat op 19 mei 1798, het "vierde jaar der Bataafsche Vryheid", op de Heuvel werd gevierd. Een jongedame die "het beeld der Vryheid" moest voorstellen, "wenkt de Faam en geeft aan haar de Speer en Hoed over, wyzende naar den grooten Linde die agter haar staat, ten teeken, dat zy die daar op wil geplaatst hebben ... rondom op den Linde worden de Tropheen gezet, waar mede de Triumph-wagen vercierd was..." De Linde als vrijheidsboom.

Tilburg bezat op het eind van de veertiende eeuw al een markante Linde. In de archiefbronnen vonden we in 1390 de vermelding van de boerderij het "GuetterLinde" en in 1429 is er sprake van "den Lyndacker aen die Linde". Daarmee wordt een akker aan het Lijnsheike bedoeld. Die boom werd in 1502 reeds "die oude Linde" genoemd. In de buurt van het Kraaiven, ten noordwesten van het Hasseltplein aan de "Heydsijde" stond in 1554 "die Hoollynde". In 1598 werden op de Heuvel een huisje "ende bancken omme de lynde staende" afgebroken. Vermoedelijk hebben we het dan over de huidige Linde en het bankje waar recht werd gesproken.

In 1675 is de boom door een storm omgewaaid; hij moest toen worden gestut. Over het onderhoud van de Linde zijn vanaf de zeventiende eeuw tot heden vele gegevens bekend. Daaruit is ook af te leiden, dat de boom steeds gemeentelijk bezit is geweest. In 1638 werd door het dorpsbestuur 75 gulden betaald aan Jan Peter Nolen om een "stellinge te maecken onder de lynde op den Hovel". Jacob van Rijswijk ontving in 1711 een gulden en veertien stuivers voor het snoeien van de Linde. Tussen 1755 en 1762 mocht Zacharias van Deijst niet alleen deze boom jaarlijks "scheeren", maar ook de "jonge Lindekens voor 't Raethuys", aan de Markt. Zoals op een oude afbeeldingen te zien is, was de Linde in de vorige eeuw kegelvormig gesnoeid tot een grote parasol. De houten steunstoel werd in 1830 in de stadskleuren geel en blauw geverfd. Na 1873 werd de Linde voorlopig niet meer gesnoeid, wat natuurlijk niet zo bevorderlijk was. In 1901 werd door de commissie van de gemeente-begroting voorgesteld de boom te rooien. Dit voorstel ondervond zoveel protest, dat deze zaak al bij voorbaat als verloren beschouwd kon worden: "de oudste Tilburger" bleef overeind.

In de jaren twintig, toen de boom ernstige tekenen van verval vertoonde, was hij vaak onderwerp van gesprek in de vergaderingen van B & W. Een bloemist raadde toen aan om elk jaar een gleuf rondom de boom vol te storten met koemest. Na drie jaar had de boom weer zijn oude aanzien. Lindeliefhebbers hebben zich in de 2e wereldoorlog vaak afgevraagd, hoe de boom uit de strijd zou komen. Er is slechts 1 incident bekend. Na de bevrijding reed een Canadese vrachtwagen bij het achteruitrijden er een forse tak af.

De typische kegelvorm met zijn horizontale takken (de kruin had een doorsnede van 30 meter) en de hoofdstam, zijn begin jaren zestig bij de herinrichting van de Heuvel verdwenen, evenals de ondersteunende houten balken en de 32 ijzeren kolommen. Vanaf toen is het echt fout gegaan. De afgezaagde stompen van de vroegere takken waterden in en de stam begon langzaam te rotten. In de daaropvolgende jaren verschijnen er regelmatig alarmerende berichten in de kranten over het op handen zijnde afsterven van de boom. Door de witrand tonderzwam aangetast, moest in juni 1988 de centrale tak voor tweederde deel worden afgezaagd. Een jaarringtelling wees een ouderdom van 175 jaar uit. Deze tak is dus later aan de boom gegroeid. In oktober 1990 werd door boomchirurg Peter Horstink van de Nederlandse Heidemij in opdracht van de gemeente Tilburg een ingrijpende operatie verricht, compleet met het aanbrengen van een 75 meter lange buis voor druppelbevloeiing.

Bert Maes schrijft in zijn boek "Monumentale bomen in Nederland" (Amsterdam, 1991): "... Toen we in juli 1990 op een route door Brabant toch nog even een kijkje konden nemen in het centrum van Tilburg, dachten we een wrak van een boom te zien, maar het tegendeel is waar. Op het gezellige Heuvelplein staat een stokoude Hollandse Linde (Tilia x vulgaris), met groene blaadjes aan de takken. Goed, de dikke, middelste tak is dood, maar de onverwoestbaarheid van de Linde kennende, denken we dat de Tilburgers nog vele jaren kunnen genieten van deze monumentale Linde. Daarbij hebben we natuurlijk ook rekening gehouden met de gedachte dat de Tilburgse plantsoenendienst er alles aan doet om deze eerbiedwaardige bejaarde in leven te houden...’

De monumentale Linde, waarvan een schoenfabrikant nog niet zo lang geleden het lugubere voorstel deed om tegen een vergoeding van tienduizend gulden de boom te laten verzagen tot schijfjes als relatiegeschenk, heeft zijn langste tijd gehad. Vooruitlopend op het eventuele verdwijnen van de Linde nam de winkeliersvereniging Emmapassage het initiatief om bij haar eenjarig bestaan op 22 oktober 1992 de gemeente een nieuwe Linde aan te bieden. Deze werd geplant op de parkeerplaats naast het winkelcentrum Emmapassage………………

Aan den beroemden Tilburgschen Linde:

Wuif nu, fiere en grijze Linde,

Om de slapen der beminde

En vereerde Koningin,

Strooi uw bloesem aan de voeten

Van de Moeder die wij groeten

In éénzelfde Oranje min.

Laat Haar 't frische Groen der blâren

Neêrlands Hope op Haar verklaren,

En - wat wank'len moge of vall' -

Laat haar forsche stam en takken

Leeren, dat de Trouw niet knakken,

Weif'len of vermind'ren zal.

Ronald Peeters
(bron: onbekend)


De eekhoorntjes en de flessendoppen



Er was eens een kolonie van eekhoorntjes die in een groot bos woonden. Ze hielden zich het grootste deel van de dag bezig met het verzamelen van nootjes, die ze opsloegen in holle bomen als wintervoorraad. Aan het einde van de herfst, als het koud begon te worden, trokken ze zich terug in hun warme holletjes, en aten de hele winter lang de nootjes uit hun voorraad. Meestal was het al weer lang voorjaar geworden als de voorraad eindelijk op was. In hetzelfde bos woonde ook een kolonie eksters. De eksters aten nootjes net als de eekhoorntjes, maar die vormden slechts een deel van hun dieet. Ze aten namelijk ook insecten en stukjes fruit. Omdat ze daardoor gemakkelijker aan voedsel konden komen dan de eekhoorntjes, hielden ze veel tijd over voor hun hobby, te weten het verzamelen van, wat ze noemden, "blinkertjes". Een blinkertje kon van alles zijn: een flessendop, een stukje zilverpapier, een glanzend steentje - als het maar op een of andere manier schitterde. Niet alleen verzamelden ze blinkertjes, ze ruilden ze ook onderling. Meestal ruilden ze het ene blinkertje voor het andere, maar ook ruilden ze wel blinkertjes voor voedsel. De eekhoorntjes wisten wel dat de eksters dit deden, maar ze begrepen niet goed wat het doel van dit alles was, of hoeveel zo'n blinkertje nu eigenlijk waard was. Soms ruilden twee eksters een stukje zilverpapier tegen twee steentjes, soms een steentje tegen een flessendop, en soms vier flessendoppen tegen drie stukjes zilverpapier. Het leek er wel op dat de waarde van een blinkertje met de dag kon veranderen, of misschien was er meer verschil tussen de blinkertjes dan de eekhoorntjes konden bevroeden. Af en toe vond een eekhoorntje een blinkertje, en als hij dan toevallig een ekster tegenkwam, ruilde hij dat blinkertje voor een paar nootjes. Er waren zelfs een paar eekhoorntjes die speciaal op zoek gingen naar blinkertjes, om die tegen nootjes te ruilen. Ze zeiden dat dat veel efficiënter was dan het verzamelen van nootjes. En warempel, sommige van die eekhoorntjes slaagden erin een veel grotere verzameling nootjes aan te leggen dan de meeste andere eekhoorntjes. Deze eekhoorntjes gingen soms zelfs zo ver dat ze blinkertjes ruilden tegen andere blinkertjes, alvorens de nieuw verkregen blinkertjes tegen nootjes te ruilen. En er waren er zelfs bij die, naast hun verzameling nootjes een kleine verzameling blinkertjes aanlegden. Die zouden ze pas ruilen als ze er echt veel nootjes voor konden krijgen, zeiden ze dan. Nu waren veel eekhoorntjes in hun hart een beetje afgunstig tegenover de blinkertjes-eekhoorntjes. Ze begrepen niet hoe die te werk gingen, maar het leek hun veel gemakkelijker af te gaan dan het zwoegende deel van de kolonie dat de hele dag op zoek was naar nootjes. De blinkertjes-eekhoorntjes waren onder elkaar ook de hele dag aan het discussiëren over blinkertjes. "De flessendoppen doen het goed, deze zomer", zeiden ze dan, of: "Ik richt me nu vooral op zilverpapier, want dat zal schaars worden dit najaar." Dit soort praat klonk de andere eekhoorntjes als geraaskal in de oren, maar de blinkertjes-eekhoorns schenen elkaar zeer goed te begrijpen. In een jaar dat de zomer erg heet was, maakten de blinkertjes-eekhoorntjes veel ophef over flessendoppen. "Flessendoppen zijn heel erg in trek bij de eksters", zeiden ze, "En dat wordt steeds erger. Als je nu een flessendop aan een ekster aanbiedt, geeft hij er wel vijf nootjes voor! En dat wordt alleen maar meer! Als je een week wacht, is een flessendop wel tien nootjes waard! Of vijftien!" Veel eekhoorntjes begonnen nu uit te kijken naar flessendoppen, maar die waren er bijna niet. "Geen wonder dat de eksters zoveel over hebben voor flessendoppen," dachten ze, "Er is geen flessendop in het bos te bekennen." Op een dag dat de waarde van een flessendop al op 25 nootjes werd geraamd, rende het eekhoorntje Shari door het bos, wild om zich heen speurend naar flessendoppen. Omdat ze niet uitkeek waar ze heen rende, botste ze op tegen de harige poot van Anni de Vos. Shari keek Anni beduusd aan, en Anni zei, vriendelijk, "Zo, waar ben jij zo druk naar op zoek?" "Ik zoek flessendoppen," zei Shari, "Weet je dat flessendoppen heel erg veel nootjes waard zijn?" "Flessendoppen, hè," zei Anni, "Toevallig heb ik er daar een hoop van." De oortjes van Shari begonnen wild te trillen. "Heb jij flessendoppen? Kan ik die met je ruilen voor nootjes?" "Dat is goed," zei Anni, "Maar ik wil wel acht nootjes voor een flessendop hebben." Aangezien Shari wist dat flessendoppen inmiddels wel 25 nootjes waard moesten zijn, leek haar dat een koopje. "Hoeveel flessendoppen heb je?" vroeg ze. "Zoveel als je wilt," zei Anni de Vos. Shari rende naar huis, naar haar voorraad nootjes. Ze stopte ze in een grote zak, en sleepte die in de richting van de plaats waar ze Anni was tegengekomen. "Waar ga je met je nootjes heen?" vroegen de eekhoorntjes die ze tegenkwam. "Naar Anni de Vos," zei Shari, "Die geeft een flessendop voor acht nootjes! Ik ga mijn hele voorraad brengen, en dan ga ik de flessendoppen aan de eksters aanbieden voor 25 nootjes!" Veel eekhoorntjes die ze dit vertelde, spurtten onmiddellijk naar hun eigen voorraad om die naar Anni te brengen. Een paar hadden twijfels. "Weet je zeker dat je 25 nootjes voor een flessendop kunt krijgen?" vroegen ze. "Dat zegt toch iedereen," zei Shari, "Maar zelfs als 25 nootjes overdreven is, dan zal ik er toch zeker flink op vooruit gaan! Je weet toch hoe hard flessendoppen in waarde stijgen." En ze vervolgde haar weg. En inderdaad, Anni de vos had voldoende flessendoppen in voorraad om Shari's hele wintervoorraad op te kopen. En niet alleen Shari's voorraad, maar ook de voorraad van veel andere eekhoorntjes die hun nootjes kwamen aanbieden. Slechts een paar eekhoorntjes bleven met hun voorraad zitten omdat Anni niet genoeg doppen had, en moesten hem, teleurgesteld, weer naar huis slepen. Hoe opgewonden waren de eekhoorntjes! Ze bezaten nu grote hoeveelheden flessendoppen! Ze waren allemaal rijk! De meesten bleven een tijdlang gelukkig naar hun flessendoppen kijken, maar Shari, die honger had gekregen, wilde gelijk wat nootjes voor haar flessendoppen hebben. Ze nam er een aantal onder de arm, en wandelde rond tot ze een ekster had gevonden. "Kijk eens," zei ze, trots haar flessendoppen ophoudend. "Hee," zei de ekster, "Flessendoppen. Die heb ik al een tijd niet gezien. Die wil ik wel hebben. Hoeveel nootjes moet je hebben voor een flessendop?". Shari overwoog nog even of ze dertig moest vragen, maar besloot niet het onderste uit de kan te willen halen. "Vijfentwintig," zei ze, "Maar als je ze allemaal ruilt mag je ze voor twintig per stuk hebben." De ekster keek een moment verbaasd, en begon toen onbedaarlijk te lachen. "Twintig nootjes voor een flessendop?" proestte hij, "Dank je de koekoek!" "Hoeveel nootjes geef je dan voor een flessendop?" vroeg Shari, die zich een beetje onbehagelijk begon te voelen. De ekster dacht even na, en zei toen, "Drie nootjes voor een flessendop lijkt me meer dan voldoende." "Drie nootjes!" riep Shari geschrokken, "Maar iedereen weet toch dat flessendoppen veel meer waard zijn!" "Ik weet niet wie 'iedereen' is," zei de ekster, "Maar als je meer dan drie nootjes wilt hebben, moet je ze maar met iemand anders ruilen, hoewel het me sterk lijkt dat er iemand is die guller is dan ik." Shari nam haar flessendoppen weer onder de arm, en rende door het bos tot ze een andere ekster tegenkwam. Weer bood ze haar doppen aan, maar die ekster bood zelfs maar twee nootjes voor een dop. En ze zocht verder, maar geen enkele ekster wilde meer dan drie nootjes voor haar doppen geven. Teleurgesteld en een beetje wanhopig ging ze terug naar huis. En daar zag ze een andere eekhoorn op een berg nootjes zitten. "Heb jij geen flessendoppen geruild?" vroeg ze. "Nee," zei de eekhoorn, "Anni had er niet genoeg." "Nou," zei Shari gul, "Je kunt er wel wat van mij krijgen. Voor twaalf nootjes krijg je een flessendop." "Twaalf nootjes?" zei de eekhoorn," Maar bij Anni kostten ze maar acht!" "Dat weet ik wel," zei Shari, "Maar Anni heeft ze niet meer. En iedereen weet toch dat ze 25 nootjes waard zijn." "Ik weet het niet hoor," zei de andere eekhoorn, "Ik vind twaalf nootjes erg veel." "Vooruit dan," zei Shari, "Tien nootjes voor een flessendop." Maar de andere eekhoorn voelde nattigheid, en zei, "Nou nee, ik denk dat ik mijn nootjes toch maar houd. Tenzij..." "Tenzij wat?" zei Shari. "Wel," zei de eekhoorn, die dacht slim te zijn, "Ik wil wel flessendoppen kopen voor zes nootjes per dop." Shari was verbouwereerd. Zes nootjes voor een dop. En ze had er acht betaald! Maar ja, het bod was beter dan ze van de eksters had gekregen, en ze begon nu toch wel erg veel honger te krijgen. Zuchtend gaf ze toe, en gaf de helft van haar flessendoppenverzameling aan de andere eekhoorn voor zes nootjes per dop. Dit bleef niet onopgemerkt. "Shari verkoopt flessendoppen voor zes nootjes per dop!" werd er rondgefluisterd. "Wat dom! Iedereen weet toch dat flessendoppen wel 25 nootjes waard zijn!" Maar een paar eekhoorntjes die hongerig waren en met grote hoeveelheden flessendoppen zaten, en die ook al bij de eksters hadden lopen leuren met hun doppen, zagen hun kans schoon, en zeiden, "Wij willen ook wel flessendoppen verkopen voor zes nootjes per dop." En korte tijd later waren de eekhoorntjes wild onder elkaar nootjes en doppen aan het ruilen. Eerst voor zes nootjes per dop, toen voor vijf, toen voor vier... Toen de eekhoorntjes eenmaal allemaal van elkaar doorhadden dat ze hun doppen kwijt moesten, wilde vrijwel niemand ze meer ruilen. Sommige eekhoorntjes gingen met de eksters doppen ruilen voor drie nootjes per dop. En de eksters, die hun kans schoonzagen, boden op een gegeven moment nog maar twee, en daarna zelfs maar één nootje voor een flessendop. De eekhoorntjes, die nootjes toch echt nodig hadden, waren gedwongen om daarmee akkoord te gaan. De meeste hielden nog een grote hoeveelheid doppen in voorraad, in de hoop dat in de nabije toekomst de doppen weer meer waard zouden worden. Maar de eksters hadden voorlopig doppen genoeg. Daar zaten de eekhoorntjes nu. Ze hadden allemaal nog maar een paar nootjes, en grote hoeveelheden waardeloze flessendoppen. Hoe had dit nu kunnen gebeuren? Een grote, grijze eekhoorn, de slimste van het stel, kreeg een bang vermoeden. "Denken jullie..." zei hij, "Denken jullie... dat Anni de vos hierachter zit?" "Hoe bedoel je?" zeiden de andere eekhoorntjes. "Wel," zei de Grijze, "Beseffen jullie wel dat Anni heel veel flessendoppen had? Zou ze die soms heel bewust verzameld hebben?" "Maar waarom zou Anni flessendoppen verzamelen? Ze kon toch niet weten dat die zoveel waard zouden worden?" vroegen de andere eekhoorntjes. "Misschien heeft Anni eerst de doppen verzameld, en heeft ze toen zélf het gerucht verspreid dat doppen zoveel waard zijn. Ik bedoel, we riepen allemaal dat 'iedereen' wist dat doppen 25 nootjes waard zijn, maar niemand kon zeggen wie dan wel 25 nootjes voor een dop zou geven." Verontwaardigd begonnen de eekhoorntjes door elkaar te praten. Zou Anni hen werkelijk zo bedrogen hebben? Wat een schandelijke streek! "We moeten naar de uil!" riep er één. "Ja!" riepen de anderen, "Naar de uil! De uil zal recht spreken!" Zo gezegd, zo gedaan. De wijze uil, die al eerder met Anni's streken te maken had gehad, wist haar te vinden en liet haar door twee valken naar zijn hol in de stam van de Grote Boom brengen. Daar zaten de eekhoorntjes haar boos op te wachten. Anni stelde zich zonder blikken of blozen voor de uil op, en zei, "Wat is er aan de hand? Heb ik iets misdaan?" "De eekhoorntjes vinden van wel," zei de uil. "Wat zeggen de eekhoorntjes dan?" vroeg Anni. De uil gaf het woord aan de Grijze. "De vos Anni heeft ons flessendoppen verkocht voor acht nootjes per dop!" beschuldigde de Grijze haar, "Terwijl de eksters maar twee, hooguit drie nootjes voor een flessendop geven! Anni heeft geruchten in de wereld geholpen dat doppen wel 25 nootjes waard zijn, waardoor wij misleid zijn, en haar inderdaad acht nootjes voor een dop hebben gegeven! Wij eisen onze nootjes van Anni terug!" En tevreden ging hij weer zitten. Anni keek de uil aan. "Is het werkelijk nodig dat ik hier nog iets aan toevoeg?" vroeg ze. De uil keek haar met streng aan, maar begreep heel goed wat er gebeurd was. Ze schudde meewarig het hoofd, en zuchtte. Toen draaide ze zich naar de Grijze, en vroeg, "Heeft Anni jullie gedwongen om acht nootjes voor een dop te geven?" "N-nee," sprak de Grijze, "Maar de doppen zijn geen acht nootjes waard." "Blijkbaar wel," zei de uil, "Althans, op het moment dat Anni jullie de doppen verkocht. Jullie betaalden immers acht nootjes per dop?" "J-ja, m-maar," stotterde de Grijze, "Alleen omdat we dachten dat ze veel meer waard waren. En - en - en dat dachten we omdat zij", met een beschuldigende poot naar Anni, "het gerucht had verspreid dat ze zoveel waard waren." "Is dat waar?" vroeg de uil aan Anni. "Zeer zeker niet," sprak die luchtig, "Het is mogelijk dat ik tegen één of twee eekhoorntjes ooit heb opgemerkt dat ik dacht dat flessendoppen veel waard zouden worden. En daarin heb ik gelijk gehad: ik vind acht nootjes voor een dop behoorlijk veel. Maar ik heb nooit gesproken over het belachelijke bedrag van 25 nootjes voor een dop. Eerlijk gezegd, denk ik dat de eekhoorntjes elkaar een beetje hebben zitten opjutten en steeds grotere verwachtingen geschapen hebben." De uil knikte en keerde zich weer tot de eekhoorntjes. "Voor zover ik heb begrepen," sprak ze, "Zijn doppen zoveel waard als een gek ervoor wil geven. En jullie waren de gekken die er acht nootjes voor gaven. Wat hadden jullie eigenlijk gedacht met die doppen te doen?" "Aan de eksters verkopen!" riep de Grijze opgewonden, "Maar die wilden niet meer dan drie nootjes voor een dop geven!" De uil zuchtte nogmaals. "En het is niet in jullie opgekomen om van tevoren na te gaan of de eksters wel bereid waren minstens acht nootjes voor een flessendop te geven?" Het was even stil. Bedremmeld bogen de eekhoorntjes het hoofd. "Dat dacht ik al," sprak de uil. Vervolgens richtte ze zich tot Anni, die onschuldig voor zich uit keek. "Ik kan niet zeggen dat ik het netjes vind wat je gedaan hebt, maar dat neemt niet weg dat ik geen reden heb om je te straffen. Je kunt gaan." zei ze. En ze vervolgde tot de eekhoorntjes: "Jullie hebben je laten leiden door je eigen domheid en hebberigheid. Geen van jullie had enig benul van de waarde van flessendoppen. Jullie lieten je opjagen door elkaar. En jullie dachten heel slim te zijn door te profiteren van de vermeende domheid van Anni, die voor acht nootjes flessendoppen wilde verkopen, terwijl er eksters zouden zijn die er wel 25 nootjes voor zouden geven! Zo hebberig waren jullie dat je je hele wintervoorraad weggaf in ruil voor iets waar je zelf niets aan hebt, omdat jullie meenden dat er uilskuikens waren die er nog veel meer nootjes voor zouden geven. Wel, die uilskuikens waren jullie zelf! Je hebt je ongeluk aan je eigen kortzichtigheid te danken. Ik kan jullie alleen maar aanraden je in het vervolg bezig te houden met jullie eigen voorraad en geen nootjes meer te ruilen met vossen en eksters. De eekhoorntjes liepen met gebogen hoofd, een beetje sip van de nootjes die ze niet meer hadden, naar huis. Maar ze wisten allemaal dat de wijze uil gelijk had ?!



Oud fabeltje van Pieter Spronck.
(bron: onbekend)

De legende van de baobab



Eén van de bij toeristen meest tot de verbeelding sprekende boomsoorten in Oost-Afrika is de Baobab (swahili: mbuju). De boom heeft een keiharde, gladde stam die vaak aan de bovenkant plotseling versmalt, waardoor hij de vorm heeft van een fles. Maar het meest opvallende van de boom is zijn grillege netwerk van kale takken. Met een beetje fantasie lijkt het erop of een Baobab ondersteboven in de grond is geplant, iets wat inspiratiebron was voor de volgende lokale legende:

Er was eens een hele belangrijke koning met slechts één slechte eigenschap; hij was bijzonder ijdel. Hij vond zichzelf veruit het mooiste wezen in het land en duldde niet dat een van zijn onderdanen er ook maar het kleinste vraagtekentje bij zette. Zijn volk keek wel uit, want de koning was een sterk en machtig man die niet bekend stond om zijn tolerantie. Toch was er één wezen in het rijk van de koning die zo mogelijk nog ijdeler was en bovendien het lef had om er hardop voor uit te komen: een reusachtige Baobabboom. Het was een imposante verschijning met een dikke stam en een weelderige kroon van groene bladeren. De koning onstak in woede toen hij de Baobab hoorde vertellen dat hij veel mooier was. Als straf rukte hij de boom uit de grond en zette hem op zijn kop weer terug. Uit solidariteit met hun soortgenoot deden alle andere Baobabs in het land hetzelfde waardoor het sinds die tijd lijkt of de Baobab met zijn wortelstelsel in de lucht steekt.

Veel Afrikaanse volken beschouwen de Baobab als en heilige boom en aanbidden hem als een godheid. Daarnaast wordt de Baobab ook voor een aantal meer praktische zaken gebruikt. De uitgeholde stam kan dienst doen als waterton of kano, de bast wordt verwerkt tot touw waarvan onder andere ijzersterke manden worden gemaakt en het fruit is eetbaar. Daar komt dan nog de functie bij die de Baobab heeft voor de westerlingen; die van dankbaar onderwerp om een prachtig plaatje van te schieten.

onbekend
(bron: (http://home.wanadoo.nl/kampie))