flogiston

Blog

de / het woorden (Dutch)

· admin · Fun Stuff

de / het woorden zijn woorden die zowel onzijdig (het) als geslachtelijk zijn.

Andere betekenis

Soms heeft een het woord een andere betekenis dan hetzelfde de woord. Zo'n voorbeeld is idee.

Het idee betekent: 'denkbeeld', 'gedachte', 'denkwijze', 'ingeving', 'mening'. Bijvoorbeeld:
- iemand op het idee brengen dat...
- dat idee moet je aan het bestuur voorleggen
- een goed idee hebben
- naar ons idee kan ze dat best

De idee betekent: '(filosofisch) denkbeeld', 'gedachte'. Bijvoorbeeld:
- de godsidee
- de platonische idee
- de marxistische idee
- de idee van het recht
- uit heel zijn werk komt duidelijk de volgende idee naar voren...

Woorden op -dom

Woorden op -dom zijn meestal het -woorden. Het zijn dan namen van plaatsen of gebieden (bijv. het bisdom, het heiligdom, het hertogdom ) ofwel verzamelnamen (bijv. het jodendom, het priesterdom, het regentendom, het veelgodendom ). Abstracta op -dom zijn de -woorden (bijv. de rijkdom, de ouderdom ).

Woorden op -schap

Bij de veel talrijker woorden op -schap zijn tweemaal twee categorieën te onderscheiden. Bij de de -woorden zijn deze twee categorieën:

  • substantieven die een toestand aanduiden, bijv.: de blijdschap, dronkenschap, gevangenschap, kameraadschap, lijfeigenschap, verwantschap, vriendschap, zwangerschap
  • verzamelnamen, bijv.: de gemeenschap, nakomelingschap, nalatenschap, vennootschap
  • maar: het genootschap, gereedschap, gezelschap en het driemanschap (en de mogelijke, maar minder gebruikelijke woorden tweemanschap, viermanschap, enz.).

Woorden met de-genus die niet tot een van deze categorieën gerekend kunnen worden, zijn bijv.: de boodschap, eigenschap, rekenschap, weddenschap, wetenschap

Bij de het-woorden zijn eveneens twee categorieën te onderscheiden:

  • substantieven die een functie of relatie aanduiden, bijv.: het kindschap, kampioenschap, koningschap, premierschap, vaderschap, voogdijschap
  • substantieven die een instituut aanduiden, bijv.: het agentschap, gezantschap, hoogheemraadschap, industrieschap, landbouwschap

Woorden met het-genus die niet tot een van deze categorieën gerekend kunnen worden, zijn bijv.:  het graafschap, heerschap, landschap

Soms kan een woord op -schap tot twee van de hierboven onderscheiden categorieën behoren en in overeenstemming daarmee met verschillend genus gebruikt worden, bijv. de priesterschap'de gezamenlijke priesters' en het priesterschap'de priesterlijke waardigheid'. Het woord de/het zeggenschap komt zonder betekenisverschil met beide genera voor.

Stofnamen  [ 3·3·2·4·i·2 ] 
Stofnamen kunnen de- en het-woorden zijn, bijv. de wol, de zij(de) , maar het hout, het papier ; het -woorden zijn bijv. ook het chintz, het denim en het teak , evenals de namen van metalen .
Wanneer substantieven als stofnaam en als voorwerpsnaam gebruikt kunnen worden, is de stofnaam dikwijls het-woord en de voorwerpsnaam de-woord. Zo bijv. bij namen van edelstenen (zoals diamant, robijn, topaas ); vergelijk:
(1a) Het diamant dat wij verhandelen, wordt vooral voor industriële doeleinden gebruikt. (stofnaam)
(1b) De diamant in die ring vind ik niet mooi. (voorwerpsnaam)

Andere voorbeelden zijn:

(2a) Die mantel is van echt nerts. (het-woord)
(2b) De nerts is een kleine visotter.
(3a) Het kurk hieromheen is helemaal vergaan.
(3b) Waar is de kurk van die fles?

Voor het laatste paar voorbeelden geldt overigens dat kurk ook als stofnaam de-woord kan zijn.
Ook een groot aantal andere stofnamen komt als de- en het-woord voor. Het onzijdig genus kan geacht worden het meest voor te komen bij:het/de aceton, balatum, bamboe, barnsteen, benzol, bessensap, carbol, cement, cheviot, compost, corduroy, doek, draad, fiber, grind, gummi, insecticide, interlock, kiezel, kurk,leem, linoleum, lysol, majolica, nylon, ozon, parfum, pek, pluche, poeder, poelet, politoer, pus, rayon, rotan, satinet, shantoeng, slijm, snot, soldeer, solfer/sulfer, suède, triplex,velours, veronal, vitriool

. Stofnamen die meestal als de-woord gebruikt worden, zijn bijv.:de/het antraciet, appelmoes, bacon, beits, chloor, drab, drop, fondant, fosfor, gom, hachee, hars, kaneel, katoen, kit, knoflook, kwijl, lak, latex, leukoplast, loog, macadam,marsepein, melange, molm, mousseline, mout, napalm, opium, pasta, pils(ener), plamuur, popeline, raffia, roest, rouge, salpeter, speculaas, stijfsel, stout, taaitaai, taf, teer,terracotta, vitrage, was, zavel

. Het genusgebruik is onduidelijk bij:de of het kauwgom, rubber, smeer, steen, textiel, vernis

Andere substantieven  [ 3·3·2·4·i·3 ] 
Andere substantieven die met betekenisverschil als de- en als het-woord kunnen optreden, zijn bijv.:aas: de/het aas (in kaartspel) - het aas ('voedsel');
afval: de afval ('het afvallen') - het/de afval ('het afgevallene'; 'vuilnis');
baai: de baai ('zeearm'; 'tabak') - de of het baai (weefsel);
bal: de bal (voorwerp) - het bal (' feest');
blik: de blik ('oogopslag') - het blik (metaal; voorwerp);
bloed: de (onnozele) bloed - het bloed ('lichaamsvocht');
bocht: de bocht ('kromming') - het/de bocht ('slechte waar');
boeket: het/de boeket ('bloemruiker') - het boeket ('geur en smaak');
boord: de boord ('rand, kant') - de of het boord ('kraag'; van schip);
bos: de bos ('bundel') - het bos (' woud');
bot: de bot (vis) - het bot (' been');
buis: de buis ('pijp') - het buis (kledingstuk);
doek: de doek ('lap') - het doek (' schilderij'; 'gordijn') (n.b Als stofnaam het/de doek: zie ***EMPTY ra r5***.);
duin: de of het duin ('zandheuvel') - het duin (verzamelnaam);
eigendom: de eigendom (recht) - het eigendom ('wat iemand toebehoort');
fortuin: de fortuin ('(nood)lot') - het fortuin ('geld'; 'geluk');
gemaal: de gemaal ('echtgenoot') - het gemaal (andere betekenissen);
genie: de genie (legeronderdeel) - het genie (andere betekenissen);
gift: de gift ('geschenk') - het gif(t) ('vergif');
grauw: de grauw ('snauw') - het grauw ('gepeupel');
heer: de heer (persoonsnaam) - het heer ('leger'; 'heerschap');
hof: de hof ('tuin') - het hof (andere betekenissen);
idee: de idee (filosofische term) - het idee ('denkbeeld');
jacht: de jacht ('het jagen') - het jacht (boot);
kamp: de kamp ('strijd') - het kamp (' tijdelijke woonplaats');
kapitaal: de kapitaal ('hoofdletter') - het kapitaal ('geld');
klad: de klad ('smet') - het klad (' voorlopige versie');
koppel: de koppel ('band') - het koppel ('stel');
koraal: de koraal ('kraal') - het koraal (stofnaam; gezang);
kwart: de kwart (muziekterm) - het kwart ('vierde');
lek: de lek ('het lekken') - het lek ('scheur, reet waaruit iets lekt');
licentiaat: de licentiaat (persoon) - het licentiaat (graad);
lof: de lof ('eerbetuiging') - het lof (andere betekenissen);
maal: de maal ('keer') (echter ook: dit maal) - het maal ('maaltijd');
mens: de mens (algemeen) - het mens (' vrouw') ;
metaal: de metaal (bedrijfssector) - het metaal (stofnaam);
moer: de moer ('vlak lichaam waarin een gat met schroefdraad aan de binnenzijde'; 'vrouwelijk wezen') - het moer ('veenmoeras');
omslag: de omslag ('drukte'; 'verandering'; 'verdeling') - de/het omslag (andere betekenissen);
opzet: de opzet (andere betekenissen dan 'voornemen'; 'bedoeling') - het opzet ('voornemen'; 'bedoeling');
pad: de pad (dier) - het pad (' weg');
patroon: de patroon (persoonsnaam; 'huls met lading') - het patroon ('model'; 'tekening');
pleister: de pleister (op een wond) - het pleister (stofnaam);
port: de port (wijn) - de/het port(o) ('vrachtloon');
portier: de portier (persoonsnaam) - het portier ('deur');
punt: de punt ('spits'); de/het punt ('leesteken') - het punt (andere betekenissen);
ree: de ree ('rede') - de/het ree (dier);
rek: de rek ('het rekken') - het rek (andere betekenissen);
rijm: de rijm ('rijp') - het rijm (' klankgelijkheid'; 'gedicht');
rot: de rot ('rat') - het rot (andere betekenissen);
schap: het/de schap ('plank') - het schap ('bedrijfschap');
schrift: de Schrift ('Bijbel') - het schrift (andere betekenissen);
slag: de slag (andere betekenissen dan 'soort') - het slag ('soort');
sloop: de sloop ('het slopen') - de/het sloop ('kussenovertrek');
soort: de soort (in de biologie) - het of de soort (andere betekenissen);
spoor: de spoor ('spore'; 'uitsteeksel') - het spoor (andere betekenissen);
stempel: de stempel (deel van een plant; steunbalk) - de of het stempel ('stempelwerktuig'; ook figuurlijk) - het stempel ('stempelafdruk'; ook figuurlijk);
stift: de stift ('staafje') - het stift ('klooster');
stof: de stof (andere betekenissen dan 'stuifsel') - het stof ('stuifsel');
substituut: de substituut (persoonsnaam) - het substituut (zaaknaam);
textiel: de textiel (bedrijfssector) - de of het textiel (stofnaam);
thema: de/het thema (schoolopgave) - het thema ('onderwerp');
toeval: de/het toeval ('aanval van (vallende) ziekte') - het toeval ('onberekenbaar gebeuren');
veer: de veer (van vogel; 'springveer') - het veer ('pont');
vizier: de vizier (persoonsnaam) - het vizier (andere betekenissen);
vlak: de vlak ('smet') - het vlak (andere betekenissen);
vlek: de vlek ('smet') - het vlek (' dorp');
vocht: de of het vocht ('vochtigheid') - het vocht ('vloeistof');
want: de want ('handschoen') - het want ('touwwerk');
was: de was (andere betekenissen dan de stofnaam) - de/het was (stofnaam);
wee: de wee ('barenswee') - het wee (andere betekenissen);
weer: de weer (in de uitdrukking in - zijn; ook in samenstellingen als brandweer en noodweer) - het weer ('atmosferische toestand');
weerlicht: de weerlicht (krachtterm) - het/de weerlicht (natuurverschijnsel);
welp: de welp ('jonge padvinder') - de/het welp (jong van bepaalde dieren);
wissel: de wissel (andere betekenissen dan 'spoorwegwissel') - de/het wissel ('spoorwegwissel');
wurm: de wurm ('worm') - het wurm (' kind');
zegel: de zegel ('plakzegel') - het zegel (andere betekenissen);
zicht: de zicht ('kleine zeis') - het zicht (andere betekenissen)

Regionale verschillen

Soms zijn er regionale verschillen:
In België wordt thuis opgevat als de-woord, in Nederland als het-woord.

Evolutie van een woord

Of evolueert een woord met de loop der tijd:
Engelse leenwoorden krijgen gewoonlijk het lidwoord de. Van sommige Engelse leenwoorden komt na verloop van tijd echter ook een het-vorm in omloop. Met cluster lijkt dit ook het geval te zijn: de meeste naslagwerken geven de cluster (mannelijk), maar sommige ook het cluster (onzijdig).
Procent is volgens de woordenboeken een het-woord. In de praktijk wordt procent echter steeds meer ook als de-woord gebruikt. In België is dat vaker het geval dan in Nederland.

Contextuele verschillen

Heel af en toe zijn er context verschillen:

Zowel de nuclide als het nuclide is goed. In gewoon taalgebruik wordt meestal de nuclide gebruikt. In wetenschappelijke teksten komt vaak het nuclide voor.
Het zelfstandig naamwoord spits (onder andere 'puntig uiteinde') wordt doorgaans voorafgegaan door het lidwoord de. Alleen in de vaste uitdrukkingen de/het spits afbijten ('de eerste in de aanval zijn', 'iets als eerste doen') en de/het spits bieden aan ('zich krachtig verzetten tegen') kan het woord ook onzijdig zijn. In de Woordenlijst wordt spits echter alleen als de-woord vermeld.
Zo is in het algemene taalgebruik microscoop een de-woord; het microscoop is beperkt tot technisch taalgebruik. Iets dergelijks geldt voor het algoritme tegenover de algoritme (vaktaal) en voor de haas, de patrijs en de ree naast het haas, het patrijs en het ree , gebruikelijk in jagerstaal.

"Echte" de/het woorden: geen betekenisverschil

Hier volgen enkele van de bekendste voorbeelden van zelfstandige naamwoorden die zowel de-woord als het-woord kunnen zijn zonder dat er sprake is van een betekenisverschil: aanrecht, affiche, colofon, deksel, doolhof, fabriek (het fabriek is regionaal en 'volkstaal'), getuigenis (zie vuilnis), gordijn, kaft, klimop, modem, molecule, periodiek, scala, soort, tenue, uniform (in Nederland zijn tegenwoordig het tenue en het uniform ook onder militairen het meest gebruikelijk, bijvoorbeeld het gevechtstenue, het dagelijkse tenue; daarnaast wordt nog wel gesproken van de geklede en de ceremoniële tenue), vuilnis (bijna alle woorden op -nis zijn vrouwelijk; de vuilnis is dan ook ouder, maar voor de verzamelnaam vuilnis is het lidwoord het gewoon geworden).

Hieronder volgen drie reeksen van woorden die in de standaardtaal zonder betekenisverschil als de- en als het-woord gebruikt kunnen worden. Woorden die in een bepaalde betekenis dubbel genus kunnen hebben en in een andere betekenis niet (bijv. het/de bocht 'slechte waar' tegenover de bocht'kromming') zijn vermeld in en worden hier niet herhaald.
Het de-genus komt het meest voor bij:
de/het accordeon, animo, automatiek, bagatel, boezeroen, brio, carrousel, circumflex, corsage, diadeem, figuur, filet, filter, floret, foetus, handel/hendel, heethoofd, hippodroom, hocus-pocus, hondsvot, introïtus, jolijt, kaft, karwei, katern, keer (deze keer, maar ook: dit keer; vergelijk maal ), kilo, klimop, koliek, kraam, lidmaat, liniaal, lis ('plant'), lorgnet, manoeuvre, matras, mechaniek, molecule, mortier, order, orgelpunt, oriënt, pancreas, parterre, pipet, pleuris/pleuritis, potpourri, prae, proviand, ratjetoe, reliek, remedie, retabel, roodvonk, salon, scheurbuik, schort, schurft, sex-appeal, solo, soort, status, subsidie, takel, teint, transfer, uitwas, uitzet, vendu, voldoende, voorschoot, welp, zadel, zeggenschap, zuivel

. Het het-genus komt het meest voor bij:
het/de aanrecht, affiche, aperitief, baldakijn, bidet, bruikleen, carillon, carré, chalet, circus, colbert, colofon, commentaar, concours, creatuur, debacle, depot, deksel, dressoir, embonpoint, ex-voto, factotum, festoen, feuilleton, fiche, fond, galon, gamma ('geordende reeks'), getuigenis, gilde, gobelin, gordijn, hiaat, idee-fixe, imperiaal, impromptu, jacquet, karkas, klavecimbel, koord, leeghoofd, lef, loeder, lor, membraan, mengelmoes, menu, menuet, micron, mom, montuur, mud, octaaf, omnium, overtrek, pandoer, pedaal, pendant, periodiek, pincet, plastron, plus, raster, riool, risico, rooster, scapulier, scharminkel, schepel, schilderij, schrijn, silhouet, slem, stencil, stort ('stortplaats'), struma, tabernakel, taboe, tenue, tribuut, uniform, vereiste, vergiet, viaduct, vod, voltage, vuilnis, warhoofd, zadel, zijspan

. Het genus is onduidelijk bij:
de of het appendix, brok, complet, facie, fries (in de bouwkunst), kameleon, kruim, piëdestal, poeha, prospectus, tablet

Bronnen:
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1168
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/525
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/556
http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/169
http://ans.ruhosting.nl/e-ans/03/03/02/04/body.html