flogiston

Blog

Boomverhalen, deel 1 (Dutch)

· admin · Nature

Source: http://www.boombastik.nl

Van bomen en de dingen die voorbij gaan



Vriend Boom en ik hadden weer een gesprek. "Heb je dat ook niet af en toe", vroeg ik hem, "dat je bepaalde dingen aan jezelf zou willen veranderen?" Boom schudde zijn takken heen en weer, een teken dat hij nadacht. Een paar bladeren vielen op de grond. "Je bedoelt dat ik zou willen dat m\'n takken wat dunner of dikker zouden zijn of dat mijn bladeren een andere vorm zouden moeten hebben?", vroeg hij uiteindelijk. "Inderdaad, zoiets." Hij schudde bedachtzaam het hoofd.

"Ik kan me niet heugen dat ik daar ooit bij heb stilgestaan", zei hij. "Maar er bestaat een verhaal van een boom die dat soort gedachten wel had. Hij leefde in een bos hier niet zo ver vandaan en toen hij van twijg was uitgegroeid tot een flinke boom, kreeg hij op een dag een slanke berk in de gaten die aan de overkant stond. Vanaf dat moment leek het wel alsof hij bezeten was van de mooie vormen van de berk, hij zaagde maar door over de slanke vormen en de elegante bewegingen. We werden er allemaal nogal moe van, kan ik je vertellen." Boom zweeg. "Ja, en toen?", vroeg ik ongeduldig, "wat gebeurde er verder?" "We probeerden hem allemaal ervan te overtuigen dat hij goed was zoals hij was, dat het nou eenmaal niet de bedoeling is dat we er allemaal precies hetzelfde uitzien." "Dat had zeker geen effect?", vroeg ik. Boom keek mij even aan en ik kon hem bijna horen denken. "Dat klopt", vervolgde hij zijn verhaal. "Het werd nog erger toen hij op een gegeven moment zichzelf kon zien in het beekje dat zich vlak naast hem bevond. De hele dag maakte hij zich druk over zijn buitenkant waardoor hij als het ware vergat te leven. Het gevolg was dat hij er steeds slechter uit ging zien, zijn bladeren verloren langzaam hun glans en kleur.".

"Wat is er van hem geworden?", vroeg ik nieuwsgierig. "Het werd herfst en zijn bladeren vielen van hem af. De bladeren bedekten het beekje en hij kon zichzelf niet langer zien. Hij werd tegen wil en dank geconfronteerd met de naakte waarheid: zichzelf. Zijn aandacht verplaatste zich van de buitenkant naar de binnenkant, want het zou niet lang meer duren voordat de winter zijn intrede zou doen en hij moest zien te overleven. Dat zat nou eenmaal in zijn natuur." Ik kon als het ware de wijze glimlach zien die door de woorden van Boom heenklonk. "Toen het weer lente werd, was hij de berk allang weer vergeten. Hij was trots op de hernieuwde kracht van zijn grove takken en op zijn glanzend groene bladeren. Vanaf dat moment stond hij alleen maar zichzelf te wezen in dat bos."

"Mooi verhaal", zei ik peinzend. "Ik heb het toch al vaker gezegd", grinnikte Boom. "Groen is geen kleur, het is een zienswijze." En hij strooide vrolijk nog wat bladeren in het rond.



Claudia Mulder
(bron: http://www.poetryalive.nl)

Ba Anansi en de Moeder van het Bos



"Er tin tin", zeggen we in Suriname; Hollanders zeggen : "Heel lang geleden".
Dit verhaal wordt al lang in Suriname verteld dus het begint zo:

Er tin tin voerde Ba Anansi, Broer Spin, niets uit en zijn vrouw Sa Akoeba, (Zuster Akoeba), kon hem onmogelijk onderhouden. Akoeba gaf de gulzige Anansi net genoeg te eten om hem in leven te houden, want zij moest ook nog haar drie kinderen behoorlijk voeden.

Anansi had voortdurend honger en dit akelige gevoel maakte hem diep ongelukkig. Klagend liep hij in huis rond, maar Akoeba stoorde zich er niet aan. Zij zei dat hij blij mocht zijn met wat hij van haar kreeg. \'De meeste vrouwen zetten hun luie man gewoon op straat. Alleen zij die werken, hebben recht op goed eten. Als je niet tevreden bent, staat de deur voor je open,\' aldus Sa Akoeba. Op een morgen zat Broer Anansi onder een grote kankantri-boom in het bos te huilen van verdriet, toen hij een schel gefluit hoorde en een vreemdsoortig wezen met recht overeind staande haren zag aankomen. Het was Boesimama, de Moeder van het Bos, die op haar ene been ronddraaide als een tol en zo bliksemsnel naderde. In een oogwenk stond Boesimama voor hem stil, waardoor het gefluit van de wind om haar lichaam ophield, terwijl de lange losse haren over haar gelaat vielen en het bedekten als een sluier. De Moeder van het Bos vroeg Anansi wat er aan de hand was en hij stortte zijn hart bij haar uit.

Boesimama vond hem zielig en zij begon weer te tollen en wenkte Anansi om haar te volgen. Zij leidde hem naar een wonderbare boom, waarvan de takken beladen waren met zakken vol eten en sprak: \'Je mag dagelijks drie zakken eten van deze boom afslaan. Dat is genoeg om nooit meer honger te lijden. Heb je goed geluisterd? Als je meer dan drie zakken probeert te nemen, zul je ontdekken dat ze allemaal als bij toverslag leeg zijn.\' Toen verdween Boesimama even snel als zij verschenen was.

Ba Anansi nam drie takken die onder de wonderboom lagen en daarmee sloeg hij de zakken eraf. De eerste zak bevatte een smakelijk ontbijt; de tweede een lekker middagmaal en de derde heerlijk avondeten. Anansi droeg de drie zakken naar huis, waar hij met veel lawaai binnentrad en alles voor zich op tafel plaatste. Hij had besloten dat hij al dat lekkere eten alleen zou opsmullen en dat zijn vrouw en kinderen de vuile borden mochten schoonlikken. Maar het ging anders toe dan Ba Anansi gedacht had. Voordat hij wist wat er gebeurde, hadden zijn vrouw en kinderen het voedsel verslonden en kreeg hij de vuile borden voor zijn neus.
Dat doe ik niet meer, dacht Ba Anansi, en de volgende dag ging hij naar de wonderboom, sloeg de zakken eraf en at alles, ontbijt, middagmaal en avondeten, onder de boom op.

Thuis zei hij dat de wonderboom maar voor één keer eten had gegeven, dat er niets meer was. Zuster Akoeba geloofde Anansi echter niet, want hij liet elke dag het bordje eten staan dat zij hem voorzette en hij werd toch steeds dikker. Op een morgen zei zij tegen haar kinderen dat zij Anansi stiekem moesten volgen.
Toen Ba Anansi bij de wonderboom aankwam en de zakken eraf sloeg, sprongen zij te voorschijn. Zij grepen de gevulde zakken en snelden hiermee naar hun moeder. Ba Anansi zette de kinderen achterna, maar kon hen niet pakken. Die dag leed hij honger, want Akoeba en de kinderen smulden weer al het eten op.

De volgende dag ging Sa Akoeba met haar kinderen naar de wonderboom. De kinderen sloegen er drie zakken eten af, maar Akoeba was daarmee niet tevreden, zij wilde meer hebben. Haar oudste zoon probeerde in de boom te klimmen en op dat moment toverde de boom alle zakken weg, ook die reeds op de grond lagen.
Teleurgesteld verlieten de gulzige vrouw en de kinderen het bos. Onderweg kwamen zij Ba Anansi tegen die op weg was naar de wonderboom. Ze zeiden hem niets.

Bij de wonderboom zag Anansi dat alle zakken verdwenen waren en hij begreep direct wat er gebeurd was. Hij ging terug naar de grote kankantri en daaronder ging hij weer een potje zitten huilen. Het duurde niet lang of Boesimama kwam aangetold om hem te vragen wat eraan scheelde. Anansi vertelde haar alles.
Toen gaf zij hem een eetkalebas en zei: \'Deze kalebas is met obia, zwarte kunst, bewerkt en zal je driemaal per dag eten geven. Je hoeft hem slechts te zeggen wat je lust en hij zal het je geven. Je moet de kalebas na elke maaltijd schoonwassen, anders houdt hij ermee op. Hierna ijlde Boesimama fluitend weg, terwijl Ba Anansi met de eetkalebas naar huis ging. Eenmaal thuis kroop hij achter een grote klerenkist in zijn woonkamer om er stiekem van zijn eten te gaan genieten. Hij beval de kalebas op gedempte toon: \'Mijn kalebas, geef mij een lekkere kippensoep.\' De eetkalebas vulde zich bliksemsnel met de soep.

Ba Anansi smikkelde en smulde en daarna waste hij zijn kalebas netjes schoon en verborg hem onder de etenskast. Vervolgens wandelde hij ongemerkt de deur uit, vastbesloten niets van dit alles aan de anderen te vertellen. Maar toen Anansi\'s dochtertje het huis moest bezemen, vond zij de eetkalebas onder de etenskast. Sa Akoeba zette de kalebas op tafel.

Toen Ba Anansi thuiskwam, schrok hij geweldig toen hij de kalebas op tafel zag en hij maakte een enorme drukte: \'Waarom zet je mijn dingen op tafel?\' \'Waarom verstop je jouw dingen?\' wilde Akoeba weten. \'Dat gaat je niets aan,\' zei Anansi en hij liep met zijn kalebas weg en verborg hem in de klerenkist. Achter die kist at hij driemaal per dag de maaltijden van de kalebas.

Op een dag gingen de kinderen verstoppertje spelen, en een van hen kroop in de grote klerenkist, waarachter Ba Anansi juist zat te ontbijten. De jongen kon duidelijk verstaan wat Anansi bij zijn eetkalebas bestelde. Zodra Anansi het huis uit was, sprong de kleine Anansi uit de kist om zijn moeder alles te vertellen. Sa Akoeba legde beslag op de eetkalebas, die zij precies zo toesprak als Ba Anansi: \'Mijn kalebas, geef mij een lekkere kippensoep.\' De toverschaal bracht direct vier borden kippensoep.

Toen zij die op hadden, zei Akoeba: \'En nu graag vier porties bruine bonen met rijst.\' O je, ze had hem niet afgewassen. Onmiddellijk verloor de eetkalebas alle toverkracht.

Bij zijn terugkomst zag Anansi de bedorven kalebas op de vloer liggen. Wat was hij kwaad! Hij trapte het waardeloze ding stuk en verliet zijn woning. Huilend van woede zat Ba Anansi even later weer onder de grote kankantri, maar de Moeder van het Bos deed alsof zij niets zag of hoorde. Ongeduldig riep Anansi een paar keer achter elkaar: \'Boesimama, Boesimama, kom mij toch helpen!\' Met een woedend gefluit kwam de Moeder van het Bos aanzetten. Zij zweepte Anansi met haar lange haren om zijn oren, tot hij van pijn flauwviel. Daarna tolde zij weg.
Toen Ba Anansi bijkwam, wilde hij niets meer van zijn vrouw en kinderen weten, want volgens hem was het hun schuld dat de Moeder van het Bos hem had geslagen. Hij besloot naar het bos te verhuizen en daar woont hij nu bij de familie Bosspin.



Verhalenverteller Marijn Swarte
(bron: Volksverhalen uit Kleurrijk Nederland)

De man die bomen plantte



Om vast te stellen of het karakter van een menswerkelijk buitengewone kwaliteiten vertoont, moet je het geluk hebben zijn daden gedurende lange jaren te kunnen waarnemen. Als deze daden vrij zijn van elk egoïsme, als de achterliggende gedachte van een buitengewone edelmoedigheid is, als het absoluut vaststaat dat daarbij niet gestreefd is naar enige vorm van beloning en ze bovendien nog zichtbare sporen op de wereld heeft achtergelaten, dan sta je, zonder dat vergissen mogelijk is, tegenover een onvergetelijk karakter.

Het is ongeveer veertig jaar geleden dat ik een lange voettocht maakte over de bij toeristen absoluut onbekende hoogvlakten in dat zeer oude deel van de Alpen, daar waar deze de Provence binnendringen. Die streek wordt in het zuidoosten en het zuiden begrensd door de middenloop van de Durance tussen Sisteron en Mirabeau; in het noorden door de bovenloop van de Drôme, van de bron tot aan Die; in het westen door de vlakten van het graafschap Venaissin en de uitlopers van de Mont Ventoux. Ze omvat het gehele noordelijke gedeelte van het departement Neder-Alpen het zuiden van de Drôme en een kleine enclave van de Vaucluse. Het waren, op het moment dat ik mijn lange wandeltocht in die woestenijen begon, kale en eentonige velden op een hoogte van twaalfhonderd tot dertienhonderd meter. Er groeide niets anders dan wilde lavendel. Ik trok door dat land over de grootste breedte en na drie dagen lopen bevond ik me in een weergaloze verlatenheid. Ik sloeg mijn kamp op naast het geraamte van een verlaten dorp. Sinds de vorige avond had ik geen water meer en ik moest dat zien te vinden. Die dicht opeen staande huizen, hoewel vervallen als een oud wespennest, deden me bedenken dat zich daar ooit een bron of een put bevonden moest hebben. En er was ook bron, maar opgedroogd. De vijf of zes huizen zonder dakbedekking, aangevreten door regen en wind, en de kleine kapel met de ingestorte klokkentoren, stonden bijeen als de huizen en kapellen in levende dorpen, maar elk leven was eruit verdwenen.

Het was een mooie junidag met een stralende zon, maar over die onbeschutte, hoog in de hemel liggende velden blies de wind met ondraaglijke meedogenloosheid. Zijn gekreun door de geraamten van de huizen was als dat van een in zijn maaltijd gestoord wild dier. Ik moest mijn kamp opbreken. Na vijf uur lopen vandaar had ik nog steeds geen water gevonden en niets kon me de hoop verlenen het aan te treffen. Alom heerste dezelfde dorheid met dezelfde houtachtige planten. Ik meende dat ik in de verte een klein, donker, rechtopstaande gestalte waarnam. Ik hield die voor de stam van een eenzame boom. Op goed geluk liep ik erheen. Het was een herder. Een dertigtal schapen lag op de gloeiende grond naast hem te rusten. Hij liet me uit zijn veldfles drinken en wat later nam hij me mee naar zijn herdershut in een plooi van de hoogvlakte. Hij putte zijn -voortreffelijke- water uit een zeer diepe, natuurlijke put waarboven hij een primitieve windas geïnstalleerd had. Die man sprak weinig. Dat is gebruikelijk bij hen die eenzaam leven, maar je voelde dat hij zeker was van zichzelf en vol vertrouwen in zijn zelfverzekerdheid. Dat was merkwaardig in dat van alles beroofde land. Hij woonde niet in een hut, maar in een echt stenen huis waaraan je heel goed af kon zien hoe zijn persoonlijke inspanningen de ruïne hersteld hadden die hij bij zijn komst daar moest hebben aangetroffen. De wind die ertegen blies maakte op de dakpannen het geluid van de zee op de stranden.

Zijn huishouden was ordelijk, zijn vaat gewassen, zijn vloer aangeveegd, zijn geweer ingevet; zijn soep pruttelde boven het vuur; het viel me verder op dat hij ook pas geschoren was, dat al zijn knopen stevig vastgenaaid zaten en dat zijn kleren versteld waren met de minutieuze zorg die het verstelwerk onzichtbaar maakt. De herder liet mij mee-eten van zijn soep en toen ik hem na het maal mijn tabakszaak aanreikte, zei hij me dat hij niet rookte. Zijn hond, al even stil als hij, was waakzaam zonder vals te zijn. Het had onmiddellijk vanzelf gesproken dat ik er de nacht zou doorbrengen; het meest nabije dorp lag nog anderhalve dag lopen verder. En bovendien wist ik heel goed hoe de zeldzame dorpjes in deze streek waren. Het zijn er vier of vijf, ver van elkaar verspreid over de flanken van deze hoogten, in het eikenhakhout aan het uiterste einde van de berijdbare wegen. Ze worden bewoond door houtskoolbranders. Het zijn plaatsen waar het slecht leven is. De gezinnen, dicht opeen gepakt in dit klimaat dat zowel ‘s zomers als ‘s winters van een uiterste grimmigheid is, drijven er in hun afzondering egoïsme tot het uiterste. De onberedeneerde ambitie is er onbegrensd in het voortdurende verlangen aan het oord te ontkomen. De mannen brengen met hun wagens de houtskool naar de stad en komen dan weer terug. De allerbeste menselijke kwaliteiten gaan ten onder in deze voortdurende wisseling van kansen. De vrouwen broeden er hun verbittering uit. Er heerst wedijver over alles, zowel over de verkoop van houtskool als over de kerkbank, over de deugden die met elkaar wedijveren, over die algehele, rusteloze mengeling van deugden en ondeugden. En daarboven prikkelt de wind er al even rusteloos de zenuwen. Er zijn zelfmoordepidemieën en talloze gevallen van waanzin, meestal met dodelijke afloop.

De herder, die niet rookte, haalde een zakje en stortte op de tafel een hoop eikels uit. Hij begon die zeer aandachtig, stuk voor stuk, te onderzoeken en scheidde de goede van de slechte. Ik rookte mijn pijp. Ik stelde voor hem te helpen. Hij zei me dat hij het alleen moest doen. En inderdaad, toen ik zag met hoeveel zorg hij dat werkje deed, drong ik niet verder aan. Dat was al onze conversatie. Toen hij aan de goede kant een hoopje vrij grote eikels had, telde hij die uit in groepjes van 10. Terwijl hij dat deed legde hij de wat kleinere of degene die licht gespleten waren nog weer terzijde, want hij bestudeerde ze van heel dichtbij. Toen hij zo honderd volmaakte eikels voor zich had liggen, stopte hij en gingen we slapen.

Het gezelschap van die man bracht me rust. De volgende morgen vroeg ik hem toestemming nog een hele dag bij hem te mogen uitrusten. Dat vond hij heel vanzelfsprekend. Of beter gezegd hij gaf me de indruk dat hij door niets gestoord kon worden. Die rust had ik niet absoluut nodig, maar ik was geïntrigeerd en ik wilde er meer van weten. Hij liet zijn kudde los en leidde die naar de weidegrond. Voordat hij vertrok doopte hij het zakje waarin hij de zorgvuldig geselecteerde en uitgetelde eikels gedaan had, in een emmer water. Het viel mij op dat hij in plaats van een stok een duimdikke ijzeren staaf van anderhalve meter lengte meenam. Ik speelde de rol van iemand die een rustgevende wandeling maakt en volgde een pad dat evenwijdig aan het zijne liep. De weideplaats van zijn dieren bevond zich onder in een dal. Hij liet de kleine kudde over aan de hoede van de hond en klom omhoog naar de plek waar ik me bevond. Ik vreesde dat hij me mijn onbescheidenheid kwam verwijten, maar helemaal niet; dit was zijn weg en hij nodigde me uit met hem mee te komen indien ik niets beters te doen had. Ik liep tweehonderd meter hogerop, achter hem aan. Aangekomen op de verlangde plaats begon hij zijn ijzeren staaf in de bodem te steken. Zo maakte hij een gaatje, waarin hij een eikel legde, waarna hij het gat weer sloot. Hij plantte eiken. Ik vroeg hem of het zijn grond was. Hij zei van niet. Wist hij dan van wie die was? Dat wist hij niet. Hij veronderstelde dat het gemeenschapsgrond was, of misschien ook was ze het eigendom van mensen die zich er niet om bekommerde? Hij bekommerde zich er niet om de eigenaren te kennen. Zo plantte hij zijn 100 eikels met uiterste zorg. Na het middagmaal begon hij opnieuw zijn pootgoed te selecteren. Ik denk dat ik mijn vragen met tamelijk veel aandrang stelde, want hij gaf me antwoord. Sinds 3 jaar plantte hij bomen daar in die verlatenheid. Hij had er honderdduizend geplant. Van die honderdduizend waren er ongeveer twintigduizend opgekomen. Van die twintigduizend dacht hij nog eens de helft te verspelen door de aanwezigheid van knaagdieren of door alles wat onmogelijk te voorzien was in de voornemens van de Voorzienigheid. Bleven er dus tienduizend eiken over, die zouden groeien op die plaats waar voorheen niets groeide. Op dat moment vroeg ik me af hoe oud deze man was. Hij was zichtbaar ouder dan vijftig. Vijfenvijftig, zo zei hij mij. Hij heette Elzéard Bouffier. Hij was eigenaar van een boerderij op de vlakte geweest. Daar had hij zijn leven opgebouwd. Hij had zijn enige zoon verloren en daarna zijn vrouw. Hij had zich teruggetrokken in de eenzaamheid waar hij het genoegen smaakte van een traag leven met zijn schapen en zijn hond. Hij had vastgesteld dat dit land ten onder ging door gebrek aan bomen. Hij voegde eraan toe dat hij, omdat hij niets belangrijks te doen had, het besluit had genomen iets aan die stand van zaken te doen. Aangezien ik zelf op dat moment, ondanks mijn jeugdige leeftijd, een alleenstaand leven leidde, wist ik de ziel van alleenstaande tactvol te benaderen. Maar toch beging ik een fout. Het was juist mijn jeugdige leeftijd die me ertoe bracht de toekomst in samenhang met mezelf te zien en met het zoeken naar een zeker geluk. Ik zei hem dat die tienduizend eiken over dertig jaar prachtig zullen zijn. Hij antwoordde me eenvoudig dat als God hem liet leven, hij er over dertig jaar nog zoveel bijgeplant zou hebben dat die tienduizend zouden zijn als één waterdruppel in de zee. Hij bestuurde overigens al de voortplanting van beuken en vlak bij zijn huis had hij een uit beukennootjes opgekomen kweektuin. De moederstammen, die hij met een hekwerk tegen zijn schapen beschermd had, waren bijzonder fraai. Hij dacht verder aan berken voor de dalen waar, zo zei hij mij, een paar meter onder de oppervlakte een zekere vochtigheid aanwezig was. De volgende dag gingen we uiteen.

Het jaar daarop begon de Eerste Wereldoorlog, van 1914 tot 1918, waarbij ik vijf jaar lang betrokken was. Een infanteriesoldaat kon daarin nauwelijks aan bomen denken. Om eerlijk te zijn: de zaak zelf had geen sporen in me achtergelaten; ik had het beschouwd als een stokpaardje, een postzegelverzameling, en vergeten. Uit de oorlog terug wist ik mij eigenaar van een uiterst geringe demobilisatiepremie, maar met het grote verlangen wat zuivere lucht te gaan inademen. Zonder vooropgezette bedoeling -behalve die ene- trok ik weer naar die verlaten gebieden.

Het land was niet veranderd. Maar toch zag ik voorbij het verlaten dorp in de verte een soort grijze nevel die de hoogten als een tapijt bedekte. Sinds de vorige dag was ik weer gaan denken aan die bomenplantende herder. “tienduizend eiken”, zei ik tegen mezelf, ”nemen echt wel een grote ruimte in beslag.”

Ik had in die vijf jaar voldoende mensen zien sterven om me de dood van Elzéard Bouffier gemakkelijk te kunnen voorstellen, temeer omdat je, op je twintigste, mannen van vijftig als bejaarden beschouwt voor wie alleen het sterven nog is weggelegd. Hij was niet dood. Hij was zelfs in blakende gezondheid. Hij was van beroep veranderd. Hij had niet meer dan vier schapen over, maar bezat daarentegen een honderdtal bijenkorven. Hij had zich ontdaan van de schapen, die een gevaar waren voor zijn bomenaanplant. Want, zo zei hij mij, (en ik kon dat ook voorstellen) hij had zich in het geheel niets van de oorlog aangetrokken. Hij was onverstoorbaar voortgegaan met planten. De eiken uit 1910 waren nu tien jaar oud en hoger dan hij en ik. Het was een indrukwekkende aanblik. Ik stond letterlijk sprakeloos en omdat hij ook niets zei, brachten we de dag in stilte door, wandelend in zijn woud. Het was, in drie percelen, elf kilometer lang en drie kilometer over de grootste breedte. Als je erbij stilstond dat alles was voortgekomen uit de handen en de ziel van deze man -zonder technische hulpmiddelen- begrijp je dat de mens even doelmatig zou kunnen zijn als God, op andere terreinen dan de vernietiging.

Hij had zijn gedachten uitgewerkt en de beuken, die tot mijn schouders kwamen tot waar het oog reikte, getuigden daarvan. De eiken waren stoer en voorbij de leeftijd waarop ze ten prooi konden vallen aan knaagdieren; en wat de voornemens van de Voorzienigheid zelf betreft, die zou om het tot stand gebrachte werk te vernietigen haar toevlucht tot wervelstormen moeten nemen. Hij liet me bekoorlijk groepjes berken zien die vijf jaar oud waren, dat wil zeggen uit 1915, uit de tijd dat ik in Verdun vocht. Hij had die gezet in alle dalen waarvan hij terecht gedacht had dat het er vlak onder de oppervlakte vochtig moest zijn. Ze waren aandoenlijk als pubers en zeer vastberaden. Het werk maakte overigens de indruk van dwangarbeid. Hij bekommerde zich daar niet om; hij zette zijn taak hardnekkig en zeer eenvoudig voort. Maar toen ik weer naar het dorp afdaalde zag ik water stromen in beekjes die sinds mensenheugenis altijd droog waren geweest. Het was de geweldigste kettingreactie die mij ooit onder ogen gekomen was. Die opgedroogde beken hadden vroeger, in zeer oude tijden, water verplaatst. Sommige van die trieste dorpen waarover ik in het begin van mijn verhaal verteld heb, waren gebouwd op de plaats van oude Gallo-Romaanse nederzettingen waarvan nog sporen aanwezig waren. Archeologen hadden daarin gewroet en hadden vishaakjes gevonden op plaatsten waar de mens in de twintigste eeuw zijn toevlucht moest nemen tot regenbakken, om nog een beetje water te hebben.

Ook de wind droeg bepaalde zaken aan. Tegelijk met het terugkerende water zouden de wilgen, de teenwilgen, terugkeren; de weiden, de tuinen, de bloemen en een bepaald leefklimaat. Maar de transformatie ging zo langzaam dat ze gewoon werd zonder enige verwondering te wekken. Jagers die op zoek naar hazen of everzwijnen opklommen naar de hoogten, hadden wel een uitzaaiing van jonge boompjes vastgesteld, maar die hadden ze op rekening geschreven van de natuurlijke grillen van de aarde. Daarom tastte niemand het werk van die man aan. Als ze hem ervan verdacht hadden, zou hij tegengewerkt zijn. Maar hij viel buiten elke verdenking. Wie zou zich in de dorpen of bij de overheden een dergelijke hardnekkigheid in de hoogste edelmoedigheid kunnen voorstellen. Vanaf 1920 heb ik Elzéard elk jaar opgezocht. Ik heb hem nooit zien verflauwen of vertwijfelen. Alleen God weet of God hem er zelf toe dreef! Ik heb de stand van zijn teleurstellingen niet bijgehouden. Maar het is wel duidelijk dat, om iets zo tot een geslaagd einde te brengen, je heel wat tegenslagen moet overwinnen; dat je, om een dergelijke hartstocht te doen overwinnen, met veel wanhoop hebt moeten worstelen. Hij had, gedurende een bepaald jaar, meer dan tienduizend esdoorns geplant. Ze gingen allemaal dood. Het jaar daarna liet hij de esdoorns vallen en ging hij verder met beuken, die het zelfs nog beter deden dan de eiken.

Om een min of meer nauwkeurig beeld te krijgen van dat buitengewone karakter dien je niet te vergeten dat hij in totale eenzaamheid werkte, zo totaal dat hij tegen het einde van zijn leven zijn spraakvermogen verloren had. Of zag hij er misschien de noodzaak niet meer van in?

In 1933 kreeg hij bezoek van een stomverbaasde houtvester. Deze functionaris gelastte hem buiten geen vuur te maken, uit vrees dat hij daarmee de groei van dat ‘natuurlijk woud’ in gevaar zou brengen. Het was voor het eerst, zo zei deze naïeve man hem, dat een woud zo maar vanzelf opgekomen was. In die tijd ging hij beuken planten op twaalf kilometer van zijn huis. Om niet voortdurend heen en terug te moeten –want hij was toen al vijfenzeventig jaar- was hij van plan een stenen hut te bouwen op de plaats van zijn aanplant. En dat deed hij het jaar daarop dan ook. In 1935 kwam een echte overheidsdelegatie het ‘natuurlijke woud’ inspecteren. Er was een hoge pief van StaatsBosBeheer bij, een kamerlid en deskundigen. Er werden vele nutteloze woorden uitgesproken. Er werd besloten iets te doen en gelukkig werd er niets gedaan, behalve dan het enige zinvolle; het woud werd onder StaatsBosBeheer gebracht en de aanmaak van houtskool werd erin verboden. Want je moest wel geboeid zijn door de schoonheid van die jonge, kerngezonde bomen. Het kamerlid zelf werd erdoor verleid. Ik had een vriend onder de opperhoutvesters die tot de delegatie behoorden. Hem legde ik het mysterie uit. Op een dag in de week daarop gingen we samen op zoek naar Elzéard Bouffier. We vonden hem terwijl hij hard aan het werk was op twintig kilometer van de plaats waar de inspectie had plaatsgevonden. Die opperhoutvester was niet voor niets mijn vriend. Hij kende de waarde van de dingen. Hij wist zijn mond te houden. Ik bood de paar eieren aan die ik als cadeautje had meegenomen. We deelden het brood met z’n drieën en er gingen een paar uren voorbij in de zwijgende beschouwing van het landschap. De helling waarvan wij gekomen waren was overdekt met bomen van zes, zeven meter hoog. Ik herinnerde me hoe het land er in 1913 had uitgezien; de woestenij… … Het vredige en regelmatige werk, de ijle lucht van de hoogvlakte, de matigheid en vooral de zielenrust hadden deze grijsaard een welhaast plechtstatige gezondheid geschonken. Hij was een atleet van God. Ik vroeg me af hoeveel hectaren hij nog met bomen zou bedekken.

Alvorens te vertrekken deed mijn vriend eenvoudig en kort een suggestie over bepaalde boomsoorten die het op de bodem daar goed zouden kunnen doen. Hij drong niet aan. ”Om de eenvoudige reden”, zei hij me later, “dat de brave man er meer van weet dan ik”. Na een uur gelopen te hebben –waarin de gedachte dieper tot hem doorgedrongen was- voegde hij eraan toe: “Hij weet er veel meer van dan iedereen. Hij heeft een geweldige manier gevonden om gelukkig te zijn!”

Het is dankzij die opperhoutvester dat niet alleen het woud, maar ook het geluk van die man beschermd werd. Hij liet drie houtvesters voor die bescherming benoemen en hij hield de wind er zo onder dat ze ongevoelig bleven voor alle steekpenningen die de houthakkers hen wilden aanbieden. Het project liep alleen ernstig gevaar in de Tweede Wereldoorlog. De auto’s liepen toen op gasgenerators en er was nooit genoeg hout. Ze begonnen te kappen in de eiken uit 1910, maar het ligt daar zo ver van alle berijdbare wegen dat de onderneming in financieel opzicht zeer slecht bleek uit te pakken. Ze stopten er weer mee. De herder had er niet eens iets van gemerkt. Hij bevond zich dertig kilometer verderop en ging rustig verder met zijn arbeid, waarbij hij de Tweede Wereldoorlog net zo aan zich voorbij liet gaan als hij dat met de Eerste gedaan had.

Ik had na de Tweede Wereldoorlog weer de weg naar de wildernis genomen, maar nu ging er, ondanks de ontreddering waarin de oorlog het land had achtergelaten, een autobus die de dienst tussen het dal van de Durance en de bergen onderhield. Het feit dat ik de plaatsten van mijn vroegere voettochten niet meer herkende, schreef ik op rekening van het verhoudingsgewijs snelle transportmiddel. Het kwam me ook voor alsof de gekozen weg me langs nieuwe plaatsen voerde. Pas de naam van een dorp overtuigde me ervan dat ik wel degelijk in die vroeger zo geruïneerde en verlaten streek bevond. De bus zette me af in Vergons. In 1913 had dit gehucht van tien tot twaalf huizen maar drie inwoners. Ze waren wild, hadden een hekel aan elkaar, leefden van de vallenjacht; zo ongeveer in de morele en fysieke staat van de prehistorische mens. Onkruid verwoestte de verlaten huizen om hen heen. Hun levensomstandigheden waren hopeloos. Ze konden niet anders dan wachten op hun dood; een situatie die de deugdzaamheid nauwelijks ten goede komt. Inmiddels was alles veranderd. De lucht zelfs; in plaats van de droge en harde rukwinden die mij er vroeger opwachtten, woei er nu een zachte, met geuren bezwangerd briesje. Een geluid dat klonk als dat van water daalde van de hoogten neer; Dat was dat van de wind in de wouden. En het meest verbazingwekkende tenslotte: ik hoorde het ware geluid van water dat in een bekken stroomde. Ik zag dat er een bron gemaakt was, dat deze ruimschoots vloeide en -wat me het meest aangreep- dat er vlakbij een linde geplant was, die al een jaar of vier oud moest zijn en al zwaar begon te worden, als het onweerlegbare symbool van een wederopstanding. Overigens droeg Vergons de sporen van een werk waarvoor je, om er aan te beginnen, hoop moet koesteren. De hoop was dus weergekeerd. Ze hadden er de bouwvallen opgeruimd, de half ingestorte muren neergehaald en vijf huizen gebouwd. Het gehucht telde van toen af aan achtentwintig inwoners, waaronder vier jonge gezinnen. De nieuwe huizen, pas gepleisterd, werden omringd door moestuinen waarin, door elkaar maar op rijtjes, groenten en bloemen groeiden, kool en rozenstruiken, prei en leeuwenbekjes, selderij en anemonen. Voortaan was het een plekje waar je graag zou willen wonen. Vanaf daar ging ik dus verder te voet. De oorlog, die we nog maar nauwelijks achter de rug hadden, had de volledige ontluiking van het leven nog niet toegestaan, maar Lazarus was uit het graf opgestaan. Op de lagere hellingen van de berg zag ik kleine akkers gerst en rogge in bloei staan. Diep in nauwe dalen kleurden enkele graslanden zich groenblauwig. Er was niet meer voor nodig dan de acht jaar die ons nu van die tijd scheiden, of dat hele land blaakte van gezondheid en welbehagen. Op de plaats van de ruines die ik in 1913 had aangetroffen, rijzen nu hygiënische, goedgepleisterde boerderijen op, die op een gelukkig en gerieflijk leven duiden. De oude bronnen, gevoed door de regen en de sneeuw die door de wouden vastgehouden wordt, zijn weer begonnen te stromen. Het water eruit is gekanaliseerd. Naast elke boerderij stromen de fonteinbekkens tussen de esdoornbosjes over een tapijt van groene munt. De dorpen zijn langzaamaan herbouwd. Een bevolking die van de vlakte gekomen is, waar de grond duur is, heeft zich in de streek gevestigd, er jeugd en beweging gebracht en gevoel voor avontuur. Op de wegen kom je er goed doorvoede mannen en vrouwen tegen, jongens en meisjes die weten wat lachen is en de smaak voor boerenfeesten weer te pakken hebben gekregen. Als je de oude, nu het leven zoveel gerieflijker is, onherkenbaar geworden bevolking en de nieuwkomers bij elkaar optelt, hebben meer dan tienduizend mensen hun geluk aan Elzéard Bouffier te danken. Als ik bedenk dat één enkele man, met niet meer dan zijn eigen fysieke en morele hulpbronnen, voldoende is geweest om dit Land van Belofte uit de woestenij te doen rijzen, vind ik dat, ondanks alles, het menszijn iets bewonderenswaardigs heeft. Maar als ik reken wat er allemaal voor nodig geweest is aan trouw, zielegrootheid en edelmoedigheid, om dit resultaat te bereiken, dan voel ik een reusachtig respect voor die oude boer zonder enige culturele achtergrond, die dit Godwaardige werk tot een goed einde wist te brengen.

Ik heb Elzéard Bouffier in juni 1945 voor het laatst gezien. Hij was toen zevenentachtig jaar. Hij was van de hoogten afgedaald. Hij had zijn werk achtergelaten, maar als een man die recht heeft op rust en van dat recht gebruik wil maken. Hij was opgenomen in een gasthuis in de hoofdstad van de streek, Banon. Maar de bergstreken zijn zeer arm, de hoofdsteden zijn er niet rijk, bejaardenhuizen in die hoofdsteden zijn geen luxe oorden. Ze zijn schoon, er staan bedden, ze zijn verwarmd, er is voedsel, maar in dat waarin ik de herder heb teruggevonden was nog iets anders. Het stond tegen de flank van de heuvel tegenover de berg waarop het gehele bos zich uitspreidde. Hij had er een prachtig uitzicht op de eiken uit 1910, de beuken uit 1913 en de berken uit 1915, op heel dat grootse werk!!

Toen mij gevraagd werd welke persoonlijkheid ik nooit had kunnen vergeten, heb ik onmiddellijk aan de herder gedacht. Tegelijk besefte ik dat ik zijn naam niet meer wist. Ik kende alleen zijn voornaam nog: Elzéard. Dat was aanleiding voor nog een reis naar het gasthuis in de bergen. Het was hoogzomer en twintig kilometer voor ik er aankwam zag ik hoe boven de heuvels zich de met wouden bekroonde bergen verhieven. Ze waren nog dichtbegroeider en groter geworden. Mijn vriend, de opperhoutvester had me een paar dagen daarvoor verteld dat het woud een kadastrale naam zou krijgen; hetgeen voor een woud gelijkwaardig is aan de adelstand voor een edelman.

Ik vroeg de non die mij de vorige keer ontvangen had, naar Elzéard. Ze liet me weten dat Elzéard de voorafgaande winter overleden was in de leeftijd van tweeënnegentig jaar. Gestorven, zo zei ze mij, zonder enige lijden en in alle rust. Ook zij kende zijn naam niet. Ze zou darvoor de moeder-overste hebben moeten raadplegen en ongetwijfeld er een register op moeten naslaan. Deze nieuwsgierigheid leek mij zinloos.



Jean Giono
(bron: onbekend)

2 comments

Zilvervis ·

Dit laatste verhaal heeft een bewogen ontstaansgeschiedenis, en vele mensen in de werkelijke wereld volgden en volgen Bouffier enthousiast na.
Ik schreef er een artikel over:
http://zilvervis.wordpress.com/2010/11/27/een-blauwdruk-voor-vergroening-jean-gionos-spin-off/

Carroll Heverley ·

Good info! Hopin' for a sequel... :-)